Rooibos

De ‘Nacht van de columnist’ heette het spektakel, afgelopen zaterdag in een uitverkochte Stadsschouwburg van Amsterdam. Dit ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van NRC Handelsblad en het verschijnen van het boek De kronieken van S. Montag.

Het werd een interessant feest, waarop lezers hun columnisten in het wild konden aantreffen en eventueel ook aanschieten, desnoods met alle bloederige gevolgen van dien. In de praktijk is dat meegevallen, heb ik me laten vertellen. Zelf bracht ik het er in ieder geval ongeschonden vanaf, al ging ik wel huiswaarts met de drukkende vraag of de lezer nu eigenlijk een reëel beeld van de columnist en zijn nachten had gekregen.

De titel van zo’n nacht schept verplichtingen. De ‘Nacht van de columnist’. Het heeft iets intrigerends, iets broeierigs en sensueels ook wel. De columnist rijst eruit op als een nogal frivole figuur, iemand die enig nachtbraken niet uit de weg gaat. Met de columnist kun je wel een feestje bouwen, liefst na middernacht. Dan pas komt hij tot leven, want hij is vooral geen burgerlijk mens.

Je kunt deze columnist zien als een soort barpianist in een nachtclub. Een beetje verlopen bohémien met een sigaret in een mondhoek. Diep in zijn hart waant hij zich een kunstenaar, die pianist, die columnist.

Hij zakt door tot in de vroege uurtjes, pikt de mooiste vrouw op die al die tijd ademloos naar hem heeft zitten luisteren en gaat op huis aan, een kleine, rommelige, maar geriefelijke flat in een buitenwijk, waar de lege flessen van de vorige avond nog op tafel staan. Die vrouw wil graag meteen de liefde met hem bedrijven, maar hij stelt het liever even uit, want hij is nog moe van de vorige mooie vrouw.

Zijn eigen vrouw woont allang niet meer bij hem. Ze zijn uit elkaar gegaan omdat zij nogal genoeg kreeg van die nachten van de columnist. Ze zat altijd maar te wachten met haar twee bloedjes van kinderen tot de grote kunstenaar thuiskwam in een wolk van jaloersmakende parfum.

Kijk, hier hebben we de geest van de ‘Nacht van de columnist’ goed te pakken. Rauwe romantiek, voor minder doen we het niet. Of daarmee de werkelijkheid niet al te erg vertekend wordt? Hier kan ik alleen maar voor mezelf spreken.

Míjn nacht van de columnist begint doorgaans om een uur of half elf als mijn vrouw vraagt: „Wil je nog thee?”

Ik knik.

„Gewone of rooibos?” vraagt ze.

„Gewone”, zeg ik ferm.

„Gewone?” zegt ze. „Zou je dat nou wel doen? Op rooibos slaap je een stuk beter.”

Dat is waar, maar ik besef dat die rooiboos niet goed is voor mijn imago als columnist. Ik sta al bekend als poezenliefhebber en het moet niet truttiger worden. Liever zou ik een stevige cocaïneverslaving suggereren – interessanter voor de jongere lezer.

„Doe maar eerst een gewone thee en dán een rooibos”, zeg ik tegen mijn vrouw. Ik begin in de stemming te komen om grote risico’s te nemen.

„Dan moet je straks zelf maar die rooibos zetten”, zegt mijn vrouw, „want ik ga vast liggen, ik moet morgen weer vroeg op.”

Ik kan niet gaan liggen, want ik moet eerst nog mijn beroep uitoefenen door te kijken of Nova en Pauw & Witteman iets bijzonders hebben. Pas daarna mag ik, met lichte oprispingen van de rooibos, naar bed. De nacht van de columnist kan nu pas goed beginnen.