Examineer rekenen en lassen maar geen 'competenties' als luisteren of zelfkritiek

De vereniging beter onderwijs Nederland wil centrale examens en invloed van de leraar

Filosoof aan de Vrije Universiteit van Amsterdam.Voorzitter van Beter Onderwijs Nederland (Beteronderwijsnederland.nl). Dit is een vereniging van onderwijzers, leraren, ouders en anderen die streven naar verbetering van het onderwijs.

De tijd dat vrijwel alle politici ontkenden dat er iets grondig mis was met ons onderwijsstelsel, hebben we gelukkig achter ons gelaten. Wat dat betreft is onze missie geslaagd: Beter Onderwijs Nederland wijst er immers al jaren op dat vele tienduizenden jongeren het onderwijs verlaten zonder een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt. De sociale problemen in het onderwijs zijn erg groot en er komt te veel op het bord van scholen en docenten terecht. De taal- en rekenvaardigheid van kinderen en studenten schieten tekort. De kwaliteit van de lerarenopleidingen laat ernstig te wensen over en er staan massa’s onbevoegde leraren voor de klas, terwijl het lerarentekort nog sterk zal toenemen. Leerlingen en studenten op het mbo en hbo krijgen onder het mom van ‘zelfwerkzaamheid’ te weinig gedegen onderwijs. De administratieve lasten voor docenten zijn te zwaar. Het aandeel managers in het onderwijs heeft onaanvaardbare hoogten bereikt waarbij hoge salarissen worden betaald. Volgens accountantsonderzoek gaat op sommige hbo’s nog maar 20 procent van het budget naar onderwijs voor studenten. De overige tachtig procent gaat naar gebouwen, coördinatie, onderwijsontwikkeling, public relations en dergelijke. Zo kunnen we nog even doorgaan.

De politiek en zelfs het grote publiek lijken zich inmiddels van deze problemen bewust te zijn. Ook over een belangrijke oorzaak van deze malaise lijkt er consensus te bestaan die onder meer tot uitdrukking komt in het rapport-Dijsselbloem: de overheid heeft haar kerntaak verzaakt – het bewaken van de kwaliteit van het onderwijs. Dit zelfinzicht siert de politiek. Maar op dit moment ontbreekt een samenhangende visie op ons onderwijs met de daadkracht om die ten uitvoer te brengen. Daardoor verandert er vooralsnog bitter weinig.

Ik zal hieronder in grote lijnen aangeven wat er volgens Beter Onderwijs Nederland nodig is om de huidige impasse te doorbreken en de kwaliteit van het onderwijs voor de komende generatie veilig te stellen. Ik beschrijf daartoe kort enkele hoofdlijnen uit ons Deltaplan Onderwijs dat eind deze maand zal worden gepresenteerd

I Minder autonomie voor besturen

De immense schaalvergroting van onderwijsinstellingen, de toegenomen bureaucratie, de ondoelmatige besteding van middelen, het perverse samenspel van modieuze didactiek en management, de benarde positie van de docent en de algehele afname van kwaliteit; dit alles hangt samen met het mislukte overheidsexperiment van verzelfstandiging en quasi-vermarkting van onderwijsinstellingen. Schaalvergroting werd door bestuurders gerechtvaardigd met een beroep op de financiële risico’s en de extra administratieve lasten die door kleine instellingen niet meer konden worden gedragen. De professionele bestuurders die deze ‘bedrijven’ gingen ‘runnen’ waren in toenemende mate bezig met hun projecten waarin groei, de macht van het getal en het eigen salaris in de plaats kwamen van goed onderwijs.

In haar drang de bureaucratie te beperken heeft de overheid de bureaucratie slechts gedecentraliseerd en daarmee juist laten toenemen. Het onderwijs is daardoor minder efficiënt ingericht dan in het verleden het geval was en de kwaliteit is achteruit gegaan. Bovendien werd door deze bedrijfsmatige verzelfstandiging met behulp van publieke middelen een autonome tussenlaag geschapen, tussen de overheid en de docent, waarop geen goede controle meer mogelijk is. We moeten nu maar hopen dat hier het publieke belang gediend wordt. Verder is er een misplaatste machtsverhouding van werkgevers/werknemers in het leven geroepen – die niet zelden ontaardt in intimidatie van docenten door bestuurders.

De versterking van de positie en de kwaliteit van de leraar – zoals ook bepleit in het lovenswaardige rapport Leerkracht van de commissie-Rinooy Kan – impliceert een andere machtsverhouding en bekostigingsstructuur dan nu. Mede om die reden dient het huidige onderscheid tussen ‘werkgevers’ en ‘werknemers’ binnen het onderwijs te worden beëindigd. Iedereen is in laatste instantie in dienst bij de overheid. Ook bestuurders moeten gewoon onder de CAO worden gebracht om exorbitante beloningen onmogelijk te maken. De besteding van publiek geld is immers een publieke aangelegenheid waarover de overheid te allen tijde dient te waken. Onderwijsgeld moet primair ten goede komen aan het primaire proces en moet worden ingezet waarvoor het bedoeld is.

Door fusies opgeblazen onderwijsinstellingen (zoals vele regionale opleidingscentra (roc’s) en hogescholen) moeten worden opengebroken waar deze omvang geen aantoonbare meerwaarde heeft. Daarbij dient de eenheid en functionele zelfstandigheid van opleidingen en locaties richtinggevend te zijn. De macht van overkoepelende besturen wordt wettelijk beperkt. Zo ontstaat weer de mogelijkheid voor docenten, ouders en studenten om binnen hun regio te kiezen tussen onderwijsinstellingen en is er dus sprake van echte onderlinge concurrentie. De raden voor scholen en universiteiten (de po-raad, vo-raad, mbo-raad, hbo-raad en VSNU) hebben een machtige onderhandelingspositie opgebouwd, maar het is onduidelijk wiens belang zij dienen. Zij moeten dus worden omgevormd tot adviserende organen.

In het nieuw op te zetten waarborgstelsel moeten docenten en bestuurders mede op voordracht van de locatiedirectie worden aangesteld door de overheid, die daarmee ook alle lasten en risico’s voor haar rekening neemt. Daarnaast wordt afhankelijk van de sector, de omvang en de aard van de onderwijsinstelling een lumpsum ter beschikking gesteld, zodat niet ieder wissewasje gedeclareerd hoeft te worden. Daaruit moet ook de overhead gefinancierd worden, die zo ook tot een bepaald maximum wordt beperkt.

Deze gehele operatie is er mede op gericht om de gekwalificeerde docent weer in de positie te brengen die hij verdient. De per opleiding in te stellen Docentenraad heeft het ultieme beslissingsrecht over aan onderwijs gerelateerde zaken en mag zich onder bepaalde voorwaarden uitspreken over de aanstelling van haar directie en bestuurders. In laatste instantie kan een disfunctionerende instelling onder het directe regime van de overheid worden gebracht.

II Centraal toezicht op de kwaliteit

De overheid dient in alle sectoren toe te zien op de kwaliteit van het onderwijs, waarbij zij niet primair gericht moet zijn op het proces, zoals nu, maar op de resultaten. Aan de huidige kwaliteitsbewaking in het mbo en hoger onderwijs moet een einde worden gemaakt, omdat die niet onafhankelijk en objectief is. Het huidige systeem draait vooral in zichzelf rond (is zogezegd zelfreferentieel) en wordt bovendien sterk door financiële belangen gedreven. De overheid moet ook de bureaucratische schil voor kwaliteitsbewaking – bestaande uit raden, management, onderwijsontwikkelaars, consultants, adviesbureaus en commerciële bedrijven die visiteren, accrediteren én nota bene tegen betaling advies leveren – openbreken.

De onderwijsinspectie moet worden uitgebreid in zowel omvang als taakstelling, en dient ook in het mbo en in het hoger onderwijs actiever te worden. Rekening houdend met de aard van de opleiding dient de overheid de kwaliteitstoetsing van de leerling of student onafhankelijk te maken in de vorm van centrale examens of van gecommitteerden om het eindniveau van de vakken of een deel daarvan vast te stellen. De overheid moet hier samen met de beroepspraktijk, de vakverenigingen en vakhoogleraren aan de universiteit de norm stellen. Op die manier wordt de objectieve kwaliteit van opleidingen centraal gewaarborgd. Nu verzint de beroepsopleiding zelf het niveau waar de leerlingen aan moeten voldoen. Dat geldt ook voor de verklaring van bekwaamheid voor leraren.

III Meer samenhang van diploma’s

Uitgangspunt van de herinrichting van het onderwijsstelsel moet de organische samenhang zijn gebaseerd op vakkundigheid. Er dient een einde te worden gemaakt aan lege psychologisering van met name het beroepsonderwijs vmet psychosociale competenties – zoals luisteren, zelfkritiek, het uiten van waardering voor anderen. Die hebben weinig of niets met de specifieke beroepsbeoefening te maken. De eerste ‘competentie’ dient te zijn dat men vakkundig is - of dat nu metselen, bedrijfskunde of wiskunde betreft. Het spreekt voor zich dat onderwijs karaktervormend moet zijn.

Zowel voor het bewaken van het niveau van docenten als voor het waarborgen van de doorstroming naar boven, dienen opleidingen te zijn opgedeeld in vakken die worden verzorgd door gekwalificeerde vakdocenten. Juist door het loslaten van dit principe is de aansluiting tussen verschillende sectoren bemoeilijkt, het objectieve eindniveau van leerlingen verwaterd en worden er geen heldere eisen aan de bevoegdheid van docenten meer gesteld. Nieuwe concepten zoals ‘competentieonderwijs’ dienen gefundeerd te zijn in vakkundig onderwijs dat een objectieve eindkwaliteit garandeert.

Het eindniveau per sector moet worden bepaald door de ingangseisen van de vervolgopleiding of de beroepseisen. Het onderwijsgebouw moet van boven naar beneden worden gedefinieerd geheel volgens de in de motie Hamer verwoorde ambitie– het qua onderwijs behoren tot de top vijf van de geïndustrialiseerde landen. De vraag wordt dan simpel: Wat voor eindniveau dient het VWO te halen om op de universiteit de beste wiskundigen of informatici op te leiden? Of wat is er nodig in het beroepsonderwijs om vakkundige lassers en timmerlieden op te leiden die tot de wereldtop behoren? De mobiliteit van leerlingen en studenten om door te stromen moet beter dan nu worden gewaarborgd.

IV Herinrichting beroepsonderwijs

Het hele beroepsonderwijs moet op de schop. Door grootschaligheid, te weinig contacturen, gebrek aan structuur en binding raken veel jongeren het spoor bijster en vallen er jaarlijks vele tienduizenden leerlingen uit. Zeker allochtone jongens worden hier de dupe van, wat leidt tot segregatie en criminalisering.

De roc’s moeten worden ontmanteld en mbo-opleidingen op het laagste niveau moeten worden stopgezet. Het vmbo moet worden opgesplitst in een mavo-richting en in meer beroepsgerichte kleinschalige vaklycea waar ook het ambachtelijk (hand)werk wordt gewaardeerd. Op deze vaklycea gaan jongeren na twee algemene brugjaren een vierjarig traject in, waarin ze voor een bepaalde beroepspraktijk worden opgeleid. Ze hoeven dan niet meer de overstap te maken naar de grootschalige roc’s om hun startkwalificatie te behalen – het moment waarop momenteel de meeste leerlingen uitvallen. Leerlingen op deze vaklycea horen, afhankelijk van hun niveau, ook de mogelijkheid te hebben om na vier jaar door te stromen naar het mbo. De overheid heeft mede de verantwoordelijkheid het bedrijfsleven actief te betrekken bij de totstandkoming van ‘leerwerkplaatsen’ waarin de laatste twee jaar van de vaklycea vorm krijgen.

Verder moet het aantal beroepsopleidingen – dat op mbo’s en hbo’s tot vele duizenden is opgelopen – drastisch worden ingeperkt. Er dienen quota en strenge toelatingseisen te worden gesteld aan opleidingen waarvoor slechts een beperkt aantal arbeidsplaatsen beschikbaar is. De meeste roc’s bieden inmiddels theater- en entertainmentopleidingen aan op mbo-niveau, het Rijn-IJssel mbo en roc Midden-Nederland hebben zelfs een Urban Dance-opleiding. Dergelijke opleidingen trekken ongetwijfeld veel leerlingen die dromen van een leven vol glamour; het overgrote deel van hen is echter veroordeeld tot een leven van scharrelbaantjes en uitkeringen.

V Uitbreiding speciaal onderwijs

Er dient een harde knip te komen tussen kleuter- en basisonderwijs. Ook de pabo-opleidingen worden heringericht met een eigen opleiding voor kleuteronderwijs en basisonderwijs. Het basisonderwijs dient gedegen te zijn en de zekerheid te bieden dat leerlingen met een minimum eindniveau de school verlaten. Wie dit minimale basisniveau niet kan halen verdient extra aandacht of een andere vorm van onderwijs, die toegesneden is op zijn of haar mogelijkheden. Daarnaast moeten we voor een groep uitgesproken achterstandsleerlingen en sociaal onderontwikkelde kinderen contactintensieve basisscholen en een speciaal traject voor voortgezet onderwijs opzetten. Integratie van ernstige probleemleerlingen in het reguliere onderwijs is met de huidige klassenomvang onmogelijk en onwenselijk. Het reguliere onderwijs wordt nu al onnodig belast met psychosociale problemen van sommige leerlingen. Er is dus geen vermindering, maar intensivering van het speciaal onderwijs nodig.

VI Extra geld en inspanning

Willen we deze veranderingen doorvoeren, de bijscholing van leraren in goede banen leiden en daarnaast de komende jaren ook nog de immense uitstroom van docenten het hoofd bieden, dan moet er extra geld ter beschikking komen. Dat laat onverlet dat we de zware opgave waarvoor we de komende jaren gesteld zijn alleen kunnen volbrengen wanneer de maatschappelijke wil bestaat om daarvoor offers te brengen. Er moet een maatschappelijk beroep worden gedaan op iedereen die in staat is op verantwoorde wijze onderwijs te geven – als een tijdelijke noodmaatregel. Ik denk ook aan de vele babyboomers die reeds met pensioen zijn of dat binnenkort gaan, en aan de uitstromende en uitgestroomde leraren. Oude leraren die het vak verstaan kunnen aankomende leraren of zij-instromers begeleiden. Deze solidariteit dient mede onder aanvoering van de overheid nationaal georganiseerd en gefaciliteerd te worden.

Het wordt kortom tijd voor een revolutionaire wind door onderwijsland. De problemen moeten werkelijk worden aangepakt en niet slechts worden benoemd.