De stelling van Karen Maas: Hulporganisaties hebben rampen nodig om in beeld te blijven

Hulporganisaties komen positief in het nieuws met kortetermijneffecten. Maar na de noodhulp trekken ze zich terug, dus op de lange termijn helpen ze niet. Je kunt ook zaken verbeteren die al langer fout lopen, zegt Karen Maas tegen Roel Janssen.

28-01-2010, Rotterdam. Karen Maas. Foto Bas Czerwinski
28-01-2010, Rotterdam. Karen Maas. Foto Bas Czerwinski

Heeft u gegeven voor Haïti?

„Ja. Via de school van mijn kinderen. Die hield een inzamelingsactie en zou het bedrag verdubbelen.”

Doet u zoiets voor de school, voor uw kinderen, of voor Haïti?

„Ik wil mijn kinderen meegeven dat dit belangrijk is. Ze hebben geld uit hun spaarpot gehaald en daar hebben wij als ouders wat bijgelegd.”

Dus u vindt het belangrijk om geld te geven.

„Ik vind het moeilijk te zeggen: het is weggegooid geld. Maar als je zo redeneert gebeurt er helemaal niets. Ik vind wel dat je hulporganisaties op grond van onderzoek en evaluaties moet stimuleren om het geld dat ze ontvangen beter te besteden. Mijn bezwaren gaan ook over de manier waarop men op tv zo’n actie brengt.”

We leven in de tijd van de televisiedemocratie.

„Je kunt zoiets sensationeel opzetten of integer en low profile.”

Ja, maar als Reinout Oerlemans in drie dagen een nationale actie uit de grond moet stampen, komt er een tv-show met sterren.

„Het zal het grote publiek aanspreken. Maar het is een grote geldshow. Een cheque, big smile en doe er wat moois mee.”

Heeft u daar intellectuele of emotionele weerzin tegen?

„Het doel en de presentatie passen niet bij elkaar.”

In hoeverre worden de resultaten van dergelijke shows gemeten?

„Men onderzoekt wat de beste manieren zijn om geld op te halen en wat een show oplevert. Voor Haïti is minder opgehaald dan na de tsunami. Het is nu ook een andere situatie en een andere tijd.”

Bedoelt u: goede doelen zijn recessiegevoelig?

„Dat kan een reden zijn. Ik denk dat ook een rol speelde dat na de tsunami-actie verhalen opdoken dat men niet wist hoe het geld besteed moest worden. Er werd gediscussieerd over de vraag of organisaties een deel van het geld anders mochten besteden. Het grote publiek reageert heel primair: ik heb toch geld gestort voor een ramp?”

Of redeneren organisaties: het geld dat we krijgen is ook goed voor de lange termijn?

„Dat wordt er nooit bijgezegd. Organisaties moeten uitleggen welke keuzes ze maken. Nu is het niet inzichtelijk hoe beslissingen tot stand komen. Of je water uitdeelt, een tentenkamp neerzet of scholen bouwt. Die ondoorzichtigheid maakt het lastig voor mensen om erachter te komen of hun gedoneerde euro daadwerkelijk goed besteed wordt.”

Hulporganisaties weten dat ze op de lange termijn andere dingen moeten doen dan acute nood lenigen, maar daar winnen ze de harten van mensen niet mee. Is dat het dilemma?

„Organisaties kunnen best uitleggen waarom ze een deel van het geld achter de hand houden om op lange termijn iets te doen. Het gaat ook om de opbouw van een economie en de infrastructuur.”

Wordt daarover verantwoording afgelegd?

„Er is weinig transparantie. Hulporganisaties beschikken niet over een goed kader om de afwegingen zichtbaar te maken tussen hulp op korte en op lange termijn.”

Dat is toch hun core business?

„Ja, maar ze komen in de media met kortetermijneffecten. Hoe meer ze kunnen laten zien, des te beter voor hun reputatie en naamsbekendheid. Het is een zichzelf versterkend systeem.”

Hoezo?

„Omdat ze dit soort acties nodig hebben om in beeld te komen. Het staat mooi als je een huilend kind een bord eten kunt geven. Als ze zeggen: we delen geen eten uit, want we gaan een weg aanleggen, klinkt dat minder.”

Dus ze hebben zo nu en dan een stevige ramp nodig.

„Voor hun naamsbekendheid kunnen ze die goed gebruiken. Het is een manier om te laten zien hoe belangrijk ze zijn en hoeveel goed werk ze verrichten. Maar na de noodhulp trekt men zich terug. Dan heb je op lange termijn niet echt geholpen.”

Daarvoor moet een land naar de Wereldbank.

„Natuurlijk. Maar ook voor ontwikkelingsorganisaties ligt daar een rol en die is groter dan wat ze nu doen. In het WRR-rapport (over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking, red.) staat dat ze meer geld moeten besteden aan de opbouw en infrastructuur van een land. Daar valt een grote stap te zetten.”

Bij iedere ramp zie je competitie tussen hulpgevende organisaties. Zitten ze elkaar in de weg?

„Enerzijds hebben alle organisaties het idee dat zíj de beste hulp kunnen verlenen. Anderzijds is er sprake van concurrentie om aandacht. Ik vind dat je beter per ramp of per land kunt kijken: wie kan wat? Niet alle organisaties hebben evenveel capaciteit of zijn overal even goed in. Ze moeten doen waar ze het best in zijn en hun activiteiten bundelen.”

Als er een ramp plaatsvindt, is er geen tijd voor overleg. Er moet acuut hulp geleverd worden.

„Dat is zo. Maar dat kun je van tevoren afspreken. Er kan een draaiboek klaarliggen. Al is het maar een communicatieplan.

„Het is toch raar dat er alleen al uit Nederland zoveel organisaties naar een ramp gaan met eigen ideeën, eigen hulptroepen en eigen aanpak. Dat kan efficiënter. Het moet geen kwestie van haantjesgedrag zijn wie de eerste is.”

Maar uit uw onderzoek blijkt dat samenwerking onder goededoelenorganisaties niet vlot verloopt.

„Iedereen probeert zijn eigen win-keltje zo goed mogelijk neer te zetten.”

Onderzoeken ze de effecten van hun inzet dan niet?

„Ze kijken naar de effecten ten opzichte van de doelstellingen. Als je iets wilt doen aan educatie, scoort de bouw van een school positief. Je kunt je óók afvragen: wat voor educatie hebben mensen nodig? Dan gaat het over inhoudelijke afwegingen. Evaluaties moeten trouwens niet alleen de positieve effecten meten, maar ook de negatieve en de indirecte effecten van de hulp.”

Zoals?

„Bij noodhulp zitten mensen te wachten op water. Als ze een vrachtauto met voedsel zien, springen ze er bovenop. Je moet communiceren wat er gebeurt, wanneer mensen iets kunnen verwachten, hoe de verdeling tot stand komt. Nu is het een chaos.”

Het is toch inherent aan een ramp dat het chaos is?

„Natuurlijk. Daarom moet het primaire doel zijn om de chaos te beheersen. Laat iemand uitleggen: deze vrachtauto’s rijden door, straks komt er een volgend konvooi. Als je dat niet vertelt, moet je er niet vreemd van opkijken dat mensen vrachtwagens bespringen.”

Omdat ze wanhopig zijn en honger hebben.

„Ja, maar je kunt het in goede banen leiden door betere informatie te verstrekken. Je moet zoveel mogelijk proberen de chaos na een ramp weg te nemen.”

Moet je een tijdelijk militair gezag invoeren? Het Kosovo-model?

„De ervaringen daarmee zijn niet best. Er zijn wel militairen nodig, maar ze moeten minder opzichtig als militairen rondlopen. Je kunt ook orde handhaven zonder gevechtsuniform en een mitrailleur op de rug.”

Of moeten de hulporganisaties zelf zich met handhaving van de orde bezighouden?

„Dat moet je niet van ze verwachten. Ze moeten er wel over nadenken hoe de veiligheid van hun mensen gegarandeerd kan worden.”

Waarom worden neveneffecten niet beter onderzocht door de hulporganisaties?

„Als er veel negatieve neveneffecten zijn, hebben ze hun werk niet goed gedaan. Dat komt ze niet goed uit. Men doet wel aan output-metingen: hoeveel water, voedselpakketten en tenten zijn er verstrekt. Maar dan? Wat gebeurt er als de reddingsploegen weg zijn: laten ze de mensen in chaos achter of helpen ze de boel weer op te bouwen?”

U vindt dat een samenleving na een ramp weer op gang moet komen. Hoe kun je dat na een hulpactie bereiken?

„Je kunt de beschikbaarheid van veel geld na een ramp gebruiken om zaken die al langer fout lopen te verbeteren. En je moet terugkomen. Na een jaar en na langere tijd. Het ideaal is dat een samenleving weer gaat draaien, dat er sprake is van opbouw. Haïti is lastig omdat het al zo slecht was. Je moet niet de illusie hebben dat je alle ellende die er was, met een injectie van noodhulp kunt weghalen.”

Dat is ook niet het beeld dat hulpinstellingen schetsen.

„Ze proberen mensen te helpen. Maar dan is het kortzichtig als ze niet verder durven te kijken. Als organisaties water hebben verspreid, is het succesvol, want dat kunnen ze laten zien. Maar daarmee hebben ze nog geen blijvende impact.”

Er wordt bij campagnes de nadruk op gelegd dat het geld terechtkomt bij de mensen die het nodig hebben. Dat is toch voldoende?

„Hulporganisaties leunen vaak op hun ervaring in het verleden en hebben weinig oog voor nieuwe ontwikkelingen. Er is weinig aandacht voor specifieke situaties en specifieke omgevingsfactoren. Ze moeten zich afvragen of ze het goede doen.”

En het goede is niet alleen een goede boekhouding bijhouden.

„Zeker niet. Je merkt in Nederland dat de goededoelenorganisaties nadruk leggen op de interne kostenstructuur, niet op de impact die ze hebben. Je kunt geld heel efficiënt besteden, maar als het geen impact heeft, dan heeft het geen zin. Dan is het nog veel erger. De focus op ‘wordt de euro wel goed besteed?’ is niet de oplossing. Je moet je afvragen: wat kunnen we met een euro bereiken en op welke manier kunnen we dat doen? Uit mijn onderzoek bleek dat goededoelenorganisaties die impact nauwelijks onderzoeken.”