Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Opvoeden

Het suikerspinnige verleden

Maarten van Buuren Foto uitgeverij
Maarten van Buuren Foto uitgeverij

Maarten van Buuren: Hoofd van mijn dromen. Lemniscaat, 248 blz. € 24,95.

Bernard Dewulf: Kleine dagen. Atlas. 192 blz. € 18,90.

Wie denkt aan Maassluis in de jaren vijftig, denkt vanzelf aan Maarten ’t Hart en aan de boeken die hij erover schreef. In Het vrome volk (1974) en De aansprekers (1978) konden we kennismaken met de eenzame, onbegrepen zoon van een bijbelvaste grafdelver. Hij groeide op in een bekrompen, calvinistisch milieu. Maar er blijkt in dezelfde jaren vijftig ook een ander Maassluis te zijn geweest. Maarten van Buuren maakte een mooi geïllustreerde reportage over de havenwijk, de buurt waarin hij zijn jeugd doorbracht. In Hoofd van mijn dromen laat hij zien dat er in Maassluis niet alleen benepen ‘kleine luiden’ woonden, maar ook montere, ondernemende types die iets wilden bereiken in het leven.

Van Buuren richt zich in zijn buurtonderzoek op de middenstand van weleer: de bakker, de kruidenier, de elektricien, de kapper, de verhuizer, de aannemer, de schilder, de veerman. Hij koos voor een periode waarin die middenstand nog net bloeide: de periode van 1955 tot 1960, vlak voordat de visserij-bedrijvigheid zich zou verplaatsen naar andere havens. Sommigen van die middenstanders hadden bijzondere talenten. Neem Jan Hillenaar, een romanfiguur op zichzelf. Hij was behalve elektricien ook busondernemer, groente-exporteur, uitvinder, fotograaf, kraandrijver, dirigent, musicus en componist. In het boek staat een foto van de mooie bus die hij maakte voor het vervoer van zes tot acht personen. En de al even aandoenlijke trapauto voor zijn kleinzoon.

De andere, door Van Buuren beschreven levens zijn minder veelzijdig, maar ook zij hebben allemaal wel iets bijzonders. Door de nogal droogjes weergegeven feiten schemert steeds wel iets van universele tragiek: een onoplosbaar familieconflict, een moeizame opvolgingskwestie, ongewenste kinderloosheid, een plotselinge ziekte die aan alle toekomstplannen een einde maakt.

Verhuizer

Sympathiek aan Van Buurens werkwijze is dat hij zelf, zoon van een verhuizer, grotendeels buitenspel blijft. Hij is alleen zijdelings aanwezig, als geamuseerde verslaggever. Toch vallen er tussen de regels door steeds vleugjes heimwee te bespeuren naar de tijd waarin de patates frites in de cafetaria nog van echte bintjes werden gemaakt en de bakker met zijn bakfiets langs de huizen ging. Hij doet er geen duidelijke uitspraken over, maar vermoedelijk vormde de glorietijd van de middenstand meteen ook het decor van een gelukkige jeugd.

Het vastleggen van een glorietijd – dat lijkt mij ook de opzet van Kleine dagen van Bernard Dewulf. Alleen opereert hij niet zoals Van Buuren van buiten naar binnen, van feit naar gevoel, maar eerder omgekeerd. Vanaf de eerste bladzijde leidt Dewulf ons naar het centrum van zijn wereld: het gezinsleven met vrouw, zoon en dochter. ‘Wij wonen met vier. Twee grote, twee kleine mensen.’

In Kleine dagen, sinds vorige week op de longlijst voor de Librisprijs, is een vader aan het woord die overloopt van liefde voor en verbazing over zijn kinderen die nog zo ongerept en onaangepast zijn en zo gulzig genieten van het leven. Hij hoopt, tegen beter weten in, dat ze altijd ‘kwart na de middag’ zullen blijven zeggen. En dat zijn dochter in staat zal blijven om volledig in iets op te gaan. ‘Zo volkomen zit zij’, merkt hij vertederd op als hij haar verdiept vindt in het bekijken van een haar, ‘suikerspin van licht en kindertijd’. Als hij op een mooie zomeravond met zijn zoontje in het park is, waar ouders en kinderen aan het spelen zijn, dan heet het, al wat cynischer: ‘Geluk is goedaardig uitgezaaid over het park’.

Kille feiten

De vader wil graag zorgeloos zijn en opgaan in het hier en nu, net als zijn kinderen, maar op de achtergrond zeuren steeds de kille feiten: dat hij veel ouder is, dat ze ooit bij hem weg zullen gaan om hun eigen leven te leiden en dat er een tijd komt waarin hij ze ‘dagen, weken, misschien maanden’ niet zal zien.

Dat voortdurende, jengelende besef van tijd, dat aan elk mooi ogenblik een onplezierig rouwrandje geeft, maakt deze zeer persoonlijke en hoogst bijzonder geformuleerde ode aan het eigen vlees en bloed tot een universele jammerklacht. Wie eenmaal kinderen heeft, zal vanzelf vervuld raken van wat Dewulf ‘verdwijnvrees’ noemt. Jongens beginnen zich, terwijl zij nog in een baan om hun vader zweven, al voor te bereiden op hun vlucht naar elders, buiten zijn bereik. In kleine meisjes groeit al de vrouw voor wie op een dag ‘een onuitstaanbare jonge god voor de deur zal staan.’

Als je er eenmaal op gaat letten, dan zit er wel heel veel verdwijnvrees in Kleine dagen. Er is welbeschouwd geen handeling, geen blik, geen aai, geen kus die níet alvast verwijst naar het smartelijke eind van alle betrekkingen. Dewulf wrijft het er, kortom, regel voor regel bij ons in. We zijn hier niet in Maassluis, waar veel mensen zich vermoedelijk nog steeds laten leiden door een hemelse vader. We zijn overgeleverd aan de verstrijkende tijd. Verder is er niets. Geen kerk, geen god, geen dag des oordeels. Misschien trof mij, te midden van zoveel heftig beleden nihilisme, daarom die ene passage nog wel het meest waarin de vader, ‘in primitieve paniek’, onverhoeds met zijn gevallen zoon naar het ziekenhuis moet. Daar blijkt vervolgens alles en iedereen klaar te staan om het gewonde kind weer op te lappen. Dankbaarheid overstemt dan even alles. Het besef dat aan alles een einde zal komen, ook aan het meest dierbare, is tijdelijk uitgeschakeld. ‘Even speel ik met de gedachte: we zijn in goede handen.’