Fossiele vis rotte anders weg dan gedacht

Dieren zonder wervelkolom die zo’n 500 miljoen jaar geleden in zee leefden, zagen er veel ingewikkelder uit dan nu op plaatjes wordt getoond. Kort na hun dood kan het uiterlijk van deze dieren door het rottingsproces ingrijpend veranderen. Dat meldden Britse paleontologen zondag online in het wetenschappelijk tijdschrift Nature. Volgens Robert Sansom en zijn collega’s hebben paleontologen sommige van onze vroege voorouders ten onrechte beschouwd als primitieve organismen met eenvoudige lichaamsbouw. Dat baseert hij op experimenten met rottende vis.

Visachtige dieren die leefden in het Cambrium (542 tot 488 miljoen jaar geleden) zijn volgens paleontologen onze nauwste verwanten uit die tijd. Paleontologen discussiëren al decennia over hun onderlinge verwantschap, de vraag of sommige misschien al echte vertebraten zijn en welke het nauwst verwant zijn aan de mens.

Sansoms studie laat zien dat deze kwesties moeilijk op te lossen zijn. Hij zette dode larven van de rivierprik en het lancetvisje in doorzichtige bakken waarin hij de ontbinding goed kon volgen. Deze primitieve, nog levende vissen zijn verwant met onze voorouders uit het Cambrium.

Wat opviel was het verschil in ontbindingsnelheid van verschillende organen. Het hart was binnen twee weken verdwenen, terwijl lever en darmkanaal maanden intact bleven. Uitgesproken kenmerken zoals ogen en kieuwen verdwenen vaak het eerst.

Volgens Sansom moeten paleontologen zich veel beter verdiepen in de manier waarop dieren ontbinden als ze dit soort oeroude fossielen correct in een stamboom willen plaatsen.