Volop prutsers bij recht voor vreemdelingen

Er wordt veel geld verdiend aan wanhopige mensen die het Nederlands nauwelijks machtig zijn. Zij vormen het werkveld van malafide advocaten en bureautjes, stelt Julien Luscuere.

De Raad van Discipline heeft op 18 januari de vreemdelingenadvocaat mr. J.P.H. Thissen voor onbepaalde tijd geschorst – tot grote opluchting van velen in het werkveld. Maar wie denkt dat met Thissen de rotte appel uit de mand is verwijderd, komt bedrogen uit. Er zijn al jaren aanwijzingen dat juist het vreemdelingenrecht een vrijhaven is voor prutsers, oplichters en opportunisten. Een onderzoek van de Universiteit van Tilburg uit 2006 naar de kwaliteit van advocaten van vreemdelingen die in bewaring worden gesteld, concludeert dat in zeker 10 procent van de gevallen broddelwerk wordt afgeleverd. Waarschijnlijk is dit percentage in gewone vreemdelingenzaken nog hoger, omdat hier ook niet-advocaten als gemachtigde mogen optreden. Het gaat om duizenden gevallen per jaar.

De reden dat deze markt interessant is voor beunende juristen is drieledig. Allereerst is de doelgroep gewillig: wanhopige mensen met weinig kennis van de Nederlandse taal en de juridische realiteit. Omdat ze geen verblijfsvergunning hebben, zijn ze schuw voor autoriteiten en klagen zelden. Verder is het vreemdelingenrecht complex: in beleid, regelgeving, jurisprudentie, Europese hoven – elke dag verandert er wel weer wat. Voor een specialist al een heel karwei, maar voor de leek is er geen beginnen aan. Hij moet zijn advocaat maar blind vertrouwen. Ten slotte is er het bestuursprocesrecht. Dit biedt gelukkig veel waarborgen voor de burger. Maar procederen kost tijd, wat door de vreemdeling vaak als ‘winst’ wordt gezien, zelfs als hij de zaak zeker zal verliezen.

Het gemak waarmee de doelgroep kan worden gepaaid, geeft de dienstverleners alle ruimte om de ene na de andere wanprestatie op elkaar te stapelen. De brutaliteit is soms schokkend. Een confrère vertelde zijn Nigeriaanse cliënt, nadat de rechtbank hem door een blunder niet-ontvankelijk had verklaard: „I’m sorry, the judge doesn’t like black people.” Of neem een Leids ‘rechtskundig adviseur’ die na dezelfde blunder zijn cliënt wijsmaakte dat de procedure gewoon doorliep in verzet, een technische maar hier kansloze exercitie. Om duidelijk te maken dat het om een ‘nieuwe procedure’ ging factureerde hij de cliënt weer 1.000 euro. En lukt het deze lieden om de zaak inhoudelijk aan de IND of de rechter voor te leggen, dan wordt de zaak op een bedroevend niveau bepleit.

Niet alleen de cliënt is de dupe, ook de belastingbetaler wordt getild. Malafide advocaten zetten kansloze procedures in voor cliënten die daartoe nooit opdracht gaven. De gegevens van die cliënten krijgen de advocaten van andere cliënten, ronselaars of maatschappelijk werkers. En dankzij de vaste vergoeding per zaak die de Raad voor Rechtsbijstand betaalt, komt het gemiddeld uurtarief dan al gauw op 900 euro, waar een bonafide pro-deoadvocaat hoopt op gemiddeld een achtste hiervan. Schrijnend wordt dit soort praktijken als vreemdelingen met kansrijke zaken het ravijn in worden geduwd. Vooral in het asielrecht komt dit veelvuldig voor. Aan deze beroepsfouten is juridisch niets meer te doen. De gevolgen worden volledig afgewenteld op de vluchteling die in goed vertrouwen gebruikmaakte van de toegevoegde advocaat. Theoretisch rest hem weinig dan terug te keren naar het regime waarvoor hij een veilig heenkomen zocht.

Juist in deze gevallen raken de wanpraktijken de grondvesten van onze rechtsstaat. Het vertrouwen van het slachtoffer in de rechtsbescherming krijgt een enorme deuk. En omdat er sprake is van structurele tekortkomingen, komt de corrigerende factor van de rechtsbijstand, die de overheid bij de les houdt, onder druk te staan.

Het is dus goed dat er nu wordt gehandeld bij wantoestanden. Maar help dit? In de kwestie-Thissen ligt zowel het probleem als het antwoord besloten. Zijn wanpraktijken zijn al zeker tien jaar in Den Haag bekend. Hij kreeg wel steeds zwaardere straffen, maar hij ging onbekommerd door. Ook nu is allerminst zeker dat aan zijn praktijken een halt is geroepen. Vorig jaar is in Rotterdam bijvoorbeeld een geschrapte advocaat jurist geworden bij een advocatenkantoor en verleent nu dezelfde rechtsbijstand op naam van een senior advocaat. En buiten de advocatuur zijn er onbeperkte mogelijkheden voor juridische adviesbureaus, waar zonder enig toezicht en controle de meest bizarre praktijken voorkomen onder het motto ‘zolang de cliënt maar betaalt’.

Er moet daarom veel meer gebeuren. Gelukkig zijn de oplossingen helemaal niet zo ingewikkeld. Zo zouden de IND en de rechtbank veel vaker gebruik moeten maken van de wettelijke mogelijkheid om prutsende juristen van adviesbureautjes te weigeren als gemachtigde. Voor structureel falende advocaten biedt het tuchtrecht mogelijkheden, maar deze stroperige en weinig effectieve klachtenprocedure bij de Orde van Advocaten moet dan wel nodig worden gestroomlijnd.

Grote winst kan ook indirect worden geboekt. Als de proceduretijd voor hopeloze zaken wordt bekort, vervalt een belangrijk verkoopargument van de malafide dienstverlener. De IND is daar al mee bezig en ook de Raad van State lijkt zich hiervan bewust, maar bij de overbelaste rechtbanken komen de doorlooptijden nu makkelijk boven de tien maanden uit, ook als de zaak eenvoudig door de griffie kan worden afgedaan.

Ten slotte moet de financiële drijfveer worden weggenomen. De deskundigheidseisen voor gesubsidieerde advocaten zijn laag en vrijblijvend. De Raad voor Rechtsbijstand is ook bij het toezicht veel te passief: signalen van misbruik en fraude worden nu amper zelfstandig onderzocht. De speciale klachtencommissie lijdt een kwijnend bestaan. En juist de aanpak van malversaties ontneemt de malafide lieden hun handel. Bovendien levert dit nog een voordeel op: de bespaarde subsidies zouden goed van pas komen in een segment waarvan de kwaliteit op zich zelf al jaren onder druk staat door bezuinigingen.

Julien Luscuere is advocaat in Rotterdam.