Gooi maar weg

Schoenen, printers, sokken,wasmachines, auto’s,piano’s.

Spullen worden ingewikkelder én goedkoper. Zelf repareren kunnen we niet meer. En de vakman is te duur. ‘Wie stopt er nog sokken?’

Schröder modestoffen, Rotterdam
Schröder modestoffen, Rotterdam

Johnny Moed (36), schoenmaker in de Haagse wijk Leidschenveen, verkoopt steeds minder schoenpoets. „Vroeger namen mensen ook een potje schoensmeer mee als ze hun schoenen ophaalden.” De schoenpoets die hij nog verkoopt, is de met was aangelengde versie met sponsje. „Beter voor je schoen is de echte schoenpoets. Die moet je uitpoetsen. Dat duurt veel mensen te lang.”

Minder poetsen betekent dat schoenen eerder kapot gaan. Maar klanten staan niet eerder bij de schoenmaker. De gewoonte schoenen te laten repareren, lijkt te verdwijnen.

Schoenmaker Moed zit al twintig jaar in het vak en kan het verschil duidelijk merken. „Vroeger was het: doe mij een stel nieuwe zolen. Klanten vroegen niet eens naar de prijs. Nu gaan mensen rekenen: zijn deze schoenen het opknappen wel waard?”

Het aantal schoenmakers loopt hard terug. In 1990 waren er in Nederland nog 2.000 schoenmakers. Nu zijn dat er 850. Een halvering in twintig jaar tijd. „Veel zaken van schoenmakers die met pensioen gaan, worden niet overgenomen”, zegt Moed.

Hoe is het zo ver gekomen? Een veelgehoorde verklaring is de gestegen rijkdom. ‘We hebben het te goed.’ Dat klinkt aannemelijk. Als het geld voor nieuwe schoenen al klaar ligt, waarom dan het bestaande paar goed onderhouden en een of twee keer laten repareren?

Toch kan dit niet het hele verhaal zijn. Wie veel te besteden heeft, kan ook schoenreparaties prima betalen. Bovendien hebben schoenmakers het de moderne, gehaaste klant erg gemakkelijk gemaakt. Ze zitten niet meer in een achterafsteegje, maar op doorgangsroutes in winkelstraten. Schoenen zijn vaak op dezelfde dag klaar; vroeger moesten klanten meer geduld hebben.

Achter de snelle neergang in de schoenmakerij zit een andere ontwikkeling: het maken van schoenen is steeds goedkoper geworden, het repareren ervan niet. Een dure reparatie voor een goedkope schoen betaalt zich minder snel terug. Schoenen worden daardoor eerder weggegooid dan vroeger. Dat is de economische logica die de schoenmakers nekt.

CBS-cijfers laten de scheefgroei goed zien. Een Nederlander betaalt (in euro’s van nu) 40 procent minder voor een paar schoenen dan in 1980. De prijzen van het repareren van schoenen zijn wel gestegen met de kosten van levensonderhoud, zoals die van huur en levensmiddelen. Een schoenreparatie is (in euro’s van nu) een kleine 20 procent duurder dan 15 jaar geleden.

Schoenen zijn zo veel goedkoper geworden doordat de productie ervan is uitbesteed aan lagelonenlanden, zoals Roemenië en China. Daar komen de schoenen die Nederlanders dragen vandaan – ook de standaardcollectie van Greve, het merk voor mannen die grif betalen voor een echte ‘Nederlandse’ kwaliteitsschoen.

Het repareren van de schoenen gebeurt nog altijd door de schoenmaker om de hoek. Niemand laat zijn schoenen voor reparatie naar China sturen om ze een half jaar later weer terug te krijgen. Die schoen moet in een halve dag klaar zijn, en daar kan alleen de Nederlandse schoenmaker voor zorgen.

Maar de schoenmaker kan geen Chinese prijzen gaan vragen. Daarvan zou hij nooit kunnen rondkomen. Hij moet de huur van zijn zaak betalen en die gaat alleen maar omhoog.

Dat repareren minder loont, is een trend die opgaat voor bijna alles in het huishouden. Denk aan elektrische en elektronische apparaten. Daarvoor geldt dat het uitvoeren van één reparatie vaak duurder is dan het maken van het product zelf. Ook een relatief duur bezit als een wasmachine gaat door de gestegen reparatiekosten bij een defect eerder de deur uit dan vroeger.

Tegelijk is de moderne consument voor reparaties eerder aangewezen op de vakman. Een groeiend aantal Nederlanders is kenniswerker, zonder technische opleiding. Ze moeten met een computer overweg kunnen, niet met een soldeerapparaat. Wie niet handig is, schroeft niet zomaar even een apparaat open. De vakman kan dat wel, maar die is duur geworden. Weggooien en een nieuwe kopen ligt dan voor de hand.

Daarnaast zijn veel apparaten niet meer gemaakt om zelf te kunnen repareren. In iets eenvoudigs als een keukenweegschaal zit al een chip en andere elektronica. Veel apparaten zijn niet eens meer open te maken. Stickers waarschuwen de gebruiker om toch vooral zelf niets te doen, maar terug te gaan naar de winkel. In de winkel is het antwoord al snel: ‘Repareren? Nee, dat is te duur’.

Dat lagelonenlanden industrieel werk wegconcurreren, is bekend. Dat hierdoor ook onderhoud- en reparatiewerk uit Nederland verdwijnt, is nieuw. Economen rekenen reparatiebedrijven tot de ‘beschermde sectoren’. Daar valt persoonlijke dienstverlening onder die niet is uit te besteden. Denk aan de kapper of de tuinman: die hebben van goedkope Chinezen niets te vrezen. Voor schoenmakers en andere reparateurs ligt dat anders. De schoenmaker hoeft niet bang te zijn dat een Chinees schoenen gaat repareren, maar wel dat een Chinees goedkope schoenen in elkaar stikt en lijmt.

De invloed van de internationale handel reikt zelfs tot de duurste dingen in huis, zoals de piano. Michiel Slaats, pianostemmer en -restaurateur in Utrecht, ziet de opkomst van de goedkope Chinese piano. „Het was een schok voor me dat deze piano’s redelijk goed bleken te zijn. De Chinezen importeren goed hout en werken in licentie van bijvoorbeeld het Duitse merk Schimmel. Ik merk soms dat mensen nu een nieuwe, Chinese piano kopen in plaats van de piano te laten restaureren die ze al hebben.”

Garages zijn door de hoge reparatiekosten complete onderdelen gaan vervangen in plaats van de onderdelen te reviseren, vertelden Tom en Ray Magliozzi onlangs in hun populaire radioprogramma Car Talk. In plaats van uren arbeid te investeren in het ontdekken waar het probleem zit met de versnellingsbak en dat probleem vervolgens verhelpen, wordt een hele versnellingsbak vervangen. Dat is goedkoper.

Reparatie verliest niet alleen terrein door het wegvallen van werk: ook de aard van het reparatiewerk kan veranderen. De auto is een mooi voorbeeld van een product dat goedkoper wordt door een andere oorzaak dan handel met lagelonenlanden.

Schoenen en huishoudelijke apparaten mogen uit China komen, veel auto’s worden in Europa gemaakt. Dat kan dankzij steeds efficiëntere productie. Logistieke processen binnen de autoproductie zijn tot op de seconde afgestemd. Robots hebben veel taken van arbeiders overgenomen. Inzet van arbeid is duur en is daarom tot een minimum beperkt.

Innovatie is een tweede factor die een wig drijft tussen de kosten van het maken en het repareren van dingen. Een auto is door een robot in elkaar te zetten, maar niet door een robot te repareren. Voor reparatie blijven mensenhanden nodig. De technologie bij de dealer heeft niet stilgestaan, maar een auto is niet tien keer sneller gerepareerd dan twintig jaar geleden. Ook hier geldt dat repareren steeds duurder wordt.

Dit fenomeen van ongelijke innovatie tussen sectoren – in dit geval de auto-industrie en autoreparatiebedrijven – staat bekend als het Baumol-effect, naar William Baumol. Deze Amerikaanse econoom deed zijn ideeën op toen hij onderzoek deed naar de economie van de kunsten. Voor het spelen van een strijkkwartet van Beethoven zijn nu evenveel musici nodig als in 1850. In termen van innovatie staat een klassiek orkest stil. Een orkest is net zo productief als 150 jaar geleden. Maar de musici zijn wel meer gaan verdienen. Een avond muziek is hierdoor enorm veel duurder dan vroeger. Het is dat overheid, sponsors en muziekliefhebbers mee betalen, anders zouden er geen orkesten meer bestaan.

Voor automonteurs geldt hetzelfde als voor musici. Reparatie blijft mensenwerk. De technologische ontwikkeling gaat veel minder hard in de reparatie dan in de industrie, maar het salaris van de monteur stijgt wel mee met dat van de fabrieksarbeider, waardoor de reparatie duurder wordt.

De wet van Baumol stelt dat arbeidsintensieve diensten steeds duurder worden wegens de beperkte mogelijkheden voor innovatie. Deze ontwikkeling treft de beeldende kunsten net zo hard als de reparatiebedrijven.

Daar komt nog iets bij. Innovatie maakt producten niet alleen goedkoper, maar vaak ook beter. Een moderne auto is veiliger dan een auto van twintig jaar oud, want is uitgerust met ABS-remsysteem, airbags, stuurbekrachtiging. Een nieuwe digitale camera is beter dan een camera van vier jaar oud, want heeft een hogere beeldresolutie en meer functies. De versnelde technologische ontwikkeling van de laatste decennia is een extra reden bezittingen eerder af te schrijven.

Wie in de huishoudportemonnee kijkt, ziet grote voordelen van handel met landen als Roemenië, China en Vietnam. Bijna alles in huis is er goedkoper door geworden, van de tandenborstel tot de luidsprekers. Eindeloze efficiëntieverbeteringen in de industrie hebben veel producten ook goedkoper gemaakt – en vaak ook nog eens mooier en beter.

Maar sluipend verdwijnt de gewoonte om dingen te onderhouden en te repareren. Gesleutel in de schuur, schoenen poetsen, het hoeft niet meer. Sokken stoppen, wie onder de veertig kan het nog?

De kapotte sokken, schoenen, kleren, televisies en camera’s verdwijnen voor een groot deel in de verbrandingsovens. Weg. Plaatsgemaakt voor goedkope, nieuwe exemplaren die door een Chinees of een robot zijn gemaakt. De vuilnismannen hebben het goed. Voor hen is er werk genoeg. Vergeleken met 1990 gooit een Nederlander 30 procent meer weg. En vergeleken met vijftig jaar geleden vier keer zo veel.

Niet alles gaat de verbrandingsoven in. Recycling is toegenomen. Dat is te danken aan strengere mi-lieuwetten én aan dezelfde twee oorzaken die de afvalberg zo deden groeien: handel met lagelonenlanden en innovatie. Dankzij de internationale handel komen niet alleen goedkope producten Nederland binnen, maar gaan te hergebruiken producten Nederland ook weer uit.

De containerschepen verlaten de Rotterdamse haven vol oud papier en schroot voor China. Dit zijn zelfs in volume de belangrijkste exportproducten van de Rotterdamse haven geworden. Robots zetten niet alleen auto’s in elkaar, maar zijn ook afval gaan scheiden. Afvalscheidingsmachines zijn verbeterd: zij ‘zien’ het verschil tussen een flesje van blauw en een flesje van rood plastic.

Maar het is een achterhoedegevecht. Recycling is geen wondermiddel. Langer gebruik van een printer is natuurlijk veel milieuvriendelijker dan hergebruik. Maar de economische logica van internationale handel en innovatie dicteert dat we spullen weggooien, daar lijkt niemand onderuit te komen. Nederlanders zijn zo zuinig niet meer.