Professor dr. Kunstenaar

Er wordt steeds meer samengewerkt tussen het kunstonderwijs en de universiteiten. Binnenkort promoveren in Leiden de eerste beeldend kunstenaars op een kunstwerk. „Alle schotten moeten weg.”

Als kunstenaar promoveren op een kunstwerk – sinds kort kan dat aan verschillende Nederlandse universiteiten. De pianist Luk Vaes, die vorige maand aan de Universiteit Leiden promoveerde op Extended Piano Techniques, is de eerste ‘doctor in de kunsten’. Het bijzondere aan zijn promotie was dat hij niet alleen een proefschrift verdedigde, maar zijn bevindingen ook ten gehore bracht als pianist. Intussen bereiden tientallen andere musici zich voor op een promotie.

De afgelopen twee jaar zijn ook zes beeldend kunstenaars begonnen aan hun ‘promotietraject’ en de komende jaren zal dat aantal naar verwachting flink toenemen. In de toekomst zullen waarschijnlijk ook dansers, acteurs en schrijvers aan Nederlandse universiteiten op hun kunst kunnen promoveren.

Bij Luk Vaes was er nog sprake van een geschreven dissertatie, maar bij beeldend kunstenaars is zo’n proefschrift niet altijd een vereiste: soms kan alleen een kunstwerk voldoende zijn om de doctorsgraad te behalen. Wel moet aan een promotiekunstwerk een onderzoeksproces voorafgaan, maar als dat proces in het kunstwerk zelf overtuigend tot uiting komt, hoeft dat niet per se in een tekst te worden toegelicht. Dat geldt althans voor beeldend kunstenaars die willen promoveren in het kader van PhDArts, een samenwerking tussen de Universiteit Leiden en de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag.

Dit jaar starten de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst (BKVB) een proefproject waarbij twee promotieplaatsen voor beeldend kunstenaars worden gefinancierd. NWO en het Fonds BKVB stellen strengere eisen aan het theoretische deel van de promotie dan PhDArts, maar ook hier ligt de nadruk op ‘de artistieke component’, het kunstwerk dat door het promotieonderzoek tot stand is gekomen.

Dat universiteiten nu hun deuren openen voor kunstenaars en hun ‘artistic research’, is een rechtstreeks gevolg van de invoering van het internationale bachelor-master (bama)-stelsel in universiteiten en in het hoger beroepsonderwijs, waar de kunstacademies onder vallen. Hbo-studenten kunnen hun opleiding aan een universiteit voortzetten om een PhD te halen, een doctorstitel. Universiteiten hebben er een zeker belang bij dat dit gebeurt omdat het aantal promovendi een rol speelt bij de financiering.

Door het bamastelsel zijn universiteiten en hogescholen de laatste jaren naar elkaar toegegroeid. Zo zijn bij het hbo lectoraten ingesteld om het onderwijs op een hoger theoretisch peil te brengen. Dat geldt ook voor het kunstonderwijs. Janneke Wesseling is naast kunstrecensent lector aan de Koninklijke Academie in Den Haag en oprichter van PhDArts. Volgens haar was het kunstonderwijs de laatste decennia te weinig gericht op kennis en reflectie: „Er was duidelijk behoefte aan theoretische verdieping. Een lector aan het hbo doet onderzoek en verzamelt andere onderzoekers om zich heen in een zogeheten ‘kenniskring’. Ik probeer kunststudenten te leren om meer reflectief en theoretisch bezig te zijn in hun werk. Door de instelling van lectoraten op kunstacademies begint de samenwerking met universiteiten nu op gang te komen. Aan de Universiteit Leiden zijn al musici aangesteld als hoogleraar, zoals Reinbert de Leeuw en Louis Andriessen. En er zullen ook beeldend kunstenaars hoogleraar worden die straks kunnen optreden als promotor.”

Frans de Ruiter, hoogleraar en directeur van de Academie der Kunsten aan de Universiteit Leiden (zie kader), wist Janneke Wesseling drie jaar geleden te overtuigen dat een promotie niet alleen voor musici, maar ook voor beeldend kunstenaars nuttig kan zijn. Wesseling: „Ik dacht eerst: wat een onzin, waarom moeten kunstenaars promoveren? Later werd ik enthousiast. Beeldend kunstenaars doen vrijwel nooit onderzoek naar het werk van ándere kunstenaars, zoals kunsthistorici dat doen. Dus zijn ze niet geïnteresseerd in een promotie als kunsthistoricus. Maar ze doen wel ‘practice based research’, onderzoek voor hun eigen werk, en ik vond het toch een goed idee om ze de mogelijkheid te bieden daarop te promoveren. Met PhDArts hebben we een vierjarig programma ontwikkeld om beeldend kunstenaars bij hun promotieonderzoek te begeleiden.”

Frans de Ruiter vindt net als Wesseling dat het kunstonderwijs eigenlijk niet goed past binnen het hbo. Sterker nog: volgens hem moet het helemaal worden overgeheveld naar de universiteit, ‘waar het thuishoort’: „Kunsten en wetenschappen horen als biotoop bij elkaar, in de Angelsaksische landen is dat allang zo. We proberen nu alle schotten weg te breken zodat studenten van kunstacademies en universiteiten over en weer in elkaars instituten op alle niveaus studiepunten kunnen halen. In Leiden en Amsterdam gebeurt dat ook steeds meer: alleen al in Leiden hebben tweehonderd studenten als keuzevak op bachelor-niveau fotografie, schilderen, typografie, mode, zang, of jazz gekozen en de studiepunten die dit oplevert, worden door de universiteit erkend.”

Niet alleen de reorganisatie van het hoger onderwijs heeft geleid tot promoverende kunstenaars. Ook de kunst zelf, of beter gezegd, recente ontwikkelingen in de kunst hebben hiertoe bijgedragen. Zo zijn in de beeldende kunst de woorden onderzoek en research op het ogenblik wel erg in de mode. Dat was bijvoorbeeld vorig jaar goed te zien op de Biennale van Venetië. In de Arsenale, de gigantische expositieruimte van de Biennale, was werk van ruim tachtig kunstenaars opgesteld, vooral installaties, foto- en videowerken. Op de tekstbordjes werden bezoekers geïnformeerd over de ‘research’ achter al die kunstwerken. Zo kon je lezen dat Mike Bouchet ‘universele stereotypen en gewoontes’ onderzoekt, Yona Friedmans onderzoeksterrein sociologie, communicatietheorieën, kunst en filosofie beslaat, Goshka Macuga’s werk gebaseerd is op onderzoek naar cultuurgeschiedenis, persoonlijke en collectieve levensgeschiedenissen en wereldpolitiek, het onderzoek van Pietro Roccasalva aan diverse gebieden raakt, van populaire cultuur tot kunstgeschiedenis, van klassieke filosofie tot film, Héctor Zamora diepgravend onderzoek doet naar het collectieve geheugen van bewoners van een bepaalde plaats, hun mythes en verlangens – en zo ging het maar door.

Frans de Ruiter beaamt dat onderzoek in de kunst nu een ‘buzzwoord’ is: „Juist daarom moet heel duidelijk zijn welke eisen we bij een promotie aan dat artistieke onderzoek stellen.”

Kunsthistoricus Jeroen Boomgaard, hoofd Master Artistic Research aan de Universiteit van Amsterdam en lector aan de Rietveld Academie, zegt ook: „Ja, in de beeldende kunst heet nu alles ‘research’. Maar dat iets in de mode is, betekent niet dat je er niet serieus aandacht aan moet besteden.” En Lex ter Braak, directeur van het Fonds BKVB: „Wat modieus is, is niet per definitie verkeerd.”

Kitty Zijlmans, hoogleraar Kunstgeschiedenis van de Nieuwste tijd aan de Universiteit Leiden, gaat een stapje verder. Zij stelt: „Alle goede kunstenaars doen onderzoek. Serieuze kunst zonder onderzoek bestaat niet.”

De onderzoeksrage van kunstenaars heeft intussen geleid tot opmerkelijke definities van de begrippen ‘kunst’ en ‘kunstwerk’. Zo begint de promotiefolder van PhDArts met de vaststelling: „Kunst is zingeving, betekenis ontdekken in, of toekennen aan, het bestaan.” Volgens PhDArts „brengt het denken kunst voort en ontwikkelt kunst het denken”. En NWO schrijft in de oproep aan beeldend kunstenaars om promotievoorstellen in te dienen: „Een kunstwerk behelst een vorm van kennis die het resultaat is van een beeldend onderzoeksproces.” Een beleidsnotitie van NWO over ‘promoveren in de kunsten’ meldt: „Kunst exploreert de wijze waarop wij ons tot de werkelijkheid verhouden.”

Elske Gerritsen, beleidsmedewerker van de afdeling Geesteswetenschappen bij NWO, geeft toe dat deze omschrijvingen ‘voor discussie vatbaar zijn’. „Maar”, zegt ze, „kunstenaars zoeken aansluiting bij de wetenschap, bij NWO stuiten we daarop. Met het proefproject willen we beeldend kunstenaars de kans geven om hun werk door een promotie te verdiepen en verbreden.”

Maar in hoeverre is het onderzoek van beeldend kunstenaars wetenschappelijk? De kunstpromoties zullen plaatsvinden aan universiteiten, binnen een wetenschappelijk kader, en dan mag je verwachten dat het onderzoek aan wetenschappelijke criteria voldoet zoals objectiviteit, verifieerbaarheid en een argumentatie die leidt naar een conclusie.

Lex ter Braak aarzelt als dit punt ter sprake komt: „Een kunstwerk is subjectief, een persoonlijk statement. Kan het puur subjectieve wetenschap zijn? Het kunstwerk zelf niet, maar de manier waarop erover is nagedacht misschien wel. Bij het proefproject dat wij nu zijn gestart, moet het onderzoek in elk geval aan een fors aantal regels voldoen.”

Inderdaad vragen NWO en het Fonds BKVB in het proefproject van de promovendus een wetenschappelijke verhandeling, al mag die minder omvangrijk zijn dan een regulier proefschrift. Jeroen Boomgaard, een van de initiatiefnemers van het project, zegt: „Het kunstwerk en de tekst moeten elkaar aanvullen. Die tekst moet een consistent en goed onderbouwd verhaal zijn. Alleen een reflectie op de totstandkoming van het kunstwerk is niet genoeg, het proefschrift moet meer inhouden.”

Frans de Ruiter is minder streng: „Het resultaat van een artistiek onderzoek is slechts gedeeltelijk te verwoorden en komt het beste tot uiting in het kunstwerk. Een kunstenaar kan wel de weg die hij heeft afgelegd beschrijven, en zijn onderzoek documenteren. Als dit goed gebeurt, is dat voldoende.”

In de promotiefolder van PhDArts staat dat promotieonderzoek in de kunst geen vooropgesteld doel of resultaat kent, geen vaste procedures en de uitkomst volkomen open is, al moet er in het eindproduct wel ‘een duidelijk element van reflectie aanwezig zijn’. Janneke Wesseling legt uit dat ze in die folder het woord ‘wetenschappelijk’ bewust heeft vermeden, omdat kunstenaars nooit wetenschappers zullen zijn. „Maar je kunt ook vraagtekens zetten bij het wetenschappelijk gehalte van filosofie of andere geesteswetenschappen. Het feit dat wij niet precies voorschrijven waaraan het theoretische deel van de dissertatie moet voldoen en we de mogelijkheid open laten dat het kunstwerk zelf al genoeg reflectie bevat, betekent niet dat we geen hoge eisen stellen aan het onderzoek.”

Ook Kitty Zijlmans, die als hoogleraar zowel bij PhDArts als bij het proefproject betrokken is, zegt: „Het gaat om gedegen onderzoek, maar op een andere manier dan via wetenschappelijke vraagstellingen. Kunstenaars denken vaak wat associatiever en zijn minder theoretisch ingesteld.” Volgens haar is de huidige definitie van wetenschap te beperkt: „Ik vind: alle manieren om de wereld te leren kennen, als het diepgaand en serieus is, zijn ook vormen van wetenschap.”

En de kunstenaars die nu bezig zijn aan hun promotieonderzoek, zien zij zichzelf als wetenschappers?

Krien Clevis (49) wilde promoveren op een onderzoek naar ‘ervaringen en manifestaties van angst’ en de manier waarop die in kunst en neurowetenschap worden verbeeld. Ze was allang bezig met het thema ‘angst’, ze wilde ‘de geheimen van de menselijke diepwaterzee’ doorgronden. Maar ze verdronk in dit onderwerp. Nu richt ze zich op ‘de betekenis van het begrip plaats’ in haar eigen werk. Ze brengt dat in verband met ‘centrale thema’s’ uit haar kunst – ‘thuis, herinnering, tijd, geschiedenis, vergankelijkheid en transitie’. Die neemt ze onder de loep en zo hoopt ze uit te komen bij ‘de betekenisvorming van het overkoepelende thema dood’.

Op de vraag of haar promotieonderzoek aan wetenschappelijke normen voldoet, zegt Clevis: „Nee. Bij mijn verkenning van het fenomeen angst kreeg ik te maken met neurobiologische methodologieën waarbij alles meetbaar moet zijn en eenduidig. Daar liep ik op vast, want beeldende kunst is juist meerduidig. Je moet als kunstenaar bij je leest blijven. Mijn huidige onderzoek is nauw verbonden met mijn kunst.”

Conceptueel kunstenaar Wim Kok (50) begon net als Clevis in 2008 met zijn promotieonderzoek binnen PhDArts. Kok maakte series abstract-minimalistische schilderijen, hij doceert aan de Rietveld Academie (waar hij bekend staat als ‘het wandelende concept’) en was betrokken bij projecten voor kunst in de openbare ruimte. Zijn onderzoek gaat over de relatie tussen zijn eigen seriële werk en het boek Différence et Répétition (1968) van de poststructuralistische Franse filosoof Gilles Deleuze. Hoewel hij ‘er niets van snapte’, fascineerde Deleuze hem al jaren. Op de vraag of hij Deleuzes werk nu wel begrijpt, antwoordt Kok voorzichtig: „Nou, er is niets zo glibberig als het differentiedenken”, waarna hij begint uit te leggen hoe Deleuze zocht naar een nieuwe manier van denken en waarom hem dat aanspreekt. Hij koos Deleuzes boek als promotieonderwerp omdat het over series gaat: „Het leek me interessant om daarmee aan het stoeien te gaan, ook in mijn werk. Misschien leidt dat ertoe dat ik stop met het maken van kunst in series, maar dat risico neem ik.”

Vindt hij zijn onderzoek wetenschappelijk? „Nee”, zegt ook Wim Kok. „De conventionele manier om een doctorsgraad te halen ligt vast in protocollen en eisen die ongeschikt zijn voor kunstenaars. Ik stel daar mijn eigen criteria tegenover.” En, schamper: „Binnen de universiteit is het niveau vaak om te huilen, of het nu filosofie of psychologie is, het is een proefschriftenfabriek. Wat kan het iemand dan schelen of er ook kunstenaars bijkomen? Beeldende kunst doet niet onder voor wetenschap. Dat de universiteit tekortschiet, is voor mij geen reden er niet in te functioneren, nu ik die gelegenheid krijg.”

Het werk van Irene Fortuyn (50) richtte zich de laatste twintig jaar vooral op parken, tuinen en landschapsarchitectuur, ze vindt dat kunstenaars en vormgevers meer inbreng moeten hebben bij de inrichting van ons land. Vorig jaar begon ze met haar promotieonderzoek ‘naar de verhouding tussen het beeld van Nederland dat we in ons hoofd hebben en de fysieke werkelijkheid van het Nederlands landschap’. Volgens een door haar ontwikkelde methode wil ze heel Nederland nu fotografisch in beeld brengen en beschrijven. Door de beeldregistratie elke vijftien jaar te laten herhalen, moet inzichtelijk worden hoe het aanzien en het gebruik van het land verandert. Zo wil ze ‘het land zelf een stem geven’. Ze twijfelt of dit project wetenschappelijk is, hoewel ze meent ‘dat je ook met beelden een logische redenering kunt opbouwen’. Fortuyn: „Theoretisch onderzoek is niet mijn terrein, en ik weet nog niet hoe ik dat ga aanpakken, maar juist daarom vind ik zo’n promotie een uitdaging.”

‘Een uitdaging’ is het ook voor Krien Clevis en Wim Kok. Maar er zijn meer redenen waarom zij besloten zich aan een promotie te wagen. Alle drie benadrukken ze dat het hun ‘niet om die titel gaat’. Clevis: „Ik vind het een interessante spagaat om kunst te maken en daar tegelijk op te reflecteren. Ik ben me nu beter bewust van mijn overwegingen. Wat ook belangrijk is: ik word begeleid en gestimuleerd, elke twee maanden zie ik mijn promotor, ik doe mee aan workshops, conferenties en discussies. Zo’n kader is fantastisch.”

Irene Fortuyn: „Toen mij gevraagd werd of ik wilde promoveren, dacht ik: wat een flauwekul, ik heb de universiteit niet nodig voor mijn project. Maar het is toch prettig om het binnen de context van een PhD te doen en erover te kunnen discussiëren.”

En Wim Kok: „Ik keek naar PhD-projecten van kunstenaars in het buitenland en ik zag daar steeds meer de waarde van in. Als je zoals ik een atelierpraktijk hebt met opdrachten en exposities, ben je vrij geïsoleerd bezig en dan is dit begeleide onderzoek een goede afwisseling. Het heeft mijn werk geïntensiveerd.”

De kunstpromoties worden niet alleen door (exacte) wetenschappers met argusogen bekeken, ook in de kunstwereld is niet iedereen enthousiast. Koen Brams, directeur van de Jan van Eyck Academie in Maastricht, is zelfs een fel tegenstander: „Kunst en artistiek onderzoek krijgen nu een universitair model opgedrongen, normen die vreemd zijn aan de kunst. NWO wil dat kunstpromovendi hun onderzoeksresultaten helder en consistent uiteenzetten. Hun werk moet een meerwaarde hebben voor de academische gemeenschap en voor de wereld van kunst en cultuur, maar ook een breder publiek aanspreken. Het moet maatschappelijk relevant zijn en de nadruk ligt op het communiceren. Stel je voor dat je die eisen aan een natuurkundige oplegt.

„Kunstenaars worden in een tredmolen gedwongen, ze moeten zich aan universitaire normen conformeren, daar ben ik tegen. De kunst heeft een eigen traditie, waar steeds aan wordt geschaafd en er is geen behoefte aan een quasiwetenschappelijk vorm van kunst bedrijven. Het is natuurlijk uitstekend wanneer een kunstenaar wetenschapper wil worden, best, dan moet hij zich in wetenschappelijk onderzoek bewijzen, maar hier wordt een tussenveld gecreëerd dat ik niet serieus neem. Het leidt tot kunst die aan kaders en regels beantwoordt, die niet slecht en niet goed is, maar saai en genormeerd.

„De academisering van kunstopleidingen waar het bamastelsel toe heeft geleid, is een ramp. Leerlingen van kleinkunstacademies willen liedjes maken en zingen en straks moeten ze theses schrijven en reflecteren op hun werk. Och jongens, waar zijn we mee bezig.”

Filosoof Maarten Doorman, bijzonder hoogleraar aan de UvA in journalistieke kritiek van kunst en cultuur, uit zich minder fel, al heeft ook hij ‘bedenkingen’ tegen de kunstpromoties: „Promoveren gebeurt in een academische traditie en die is cognitief. Hoewel veel kunstwerken ook cognitief zijn, beoordeel je ze daar uiteindelijk niet op – kunst is dubbelzinnig: lees maar, er staat niet wat er staat. Een proefschrift is een schriftelijke getuigenis van de wetenschappelijke kennis die je hebt opgedaan en dan is dubbelzinnigheid iets wat je juist probeert uit te sluiten.”

Doorman heeft minder bezwaar tegen promoties op het gebied van de uitvoerende kunsten zoals theater of muziek: „Bij een proefschrift over de uitvoeringspraktijk van bepaalde muziek tussen 1730 en 1750 is het aardig als een muziekuitvoering ter illustratie deel uitmaakt van de promotie. Maar bij scheppende kunsten ligt het anders: het wringt als een wetenschappelijk onderzoek ook tot een nieuw kunstwerk moet leiden, dat kan elkaar in de weg zitten. Ik ben dus geen voorstander van promoties door beeldend kunstenaars, maar ik ben er niet op voorhand tegen om het uit te proberen, als experiment.”

Rest de vraag: wat hebben kunstenaars eigenlijk aan een doctorstitel? Volgens Janneke Wesseling ‘hebben ze er strikt genomen niets aan’. „Al is het wel de bedoeling dat in de toekomst aan hogescholen, ook aan kunstacademies, meer gepromoveerde docenten worden ingezet. Kunstenaars met een PhD komen dan dus eerder voor een docentschap in aanmerking. Maar ik hoop vooral dat deze kunstenaars zich internationaal beter gaan manifesteren met hun werk, dat is mijn missie.”

En Lex ter Braak: „Kunstenaars krijgen hier te weinig erkenning. Aan een geslaagd zakenman of politicus wordt zo een eredoctoraat toegekend, bij beeldend kunstenaars gebeurt dat nooit. Ik zie die promoties als een vorm van maatschappelijke en intellectuele emancipatie van de kunstenaar en ik hoop dat het op termijn ook leidt tot eredoctoraten.”