Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Beeldende kunst

Ontzielde truitjes

De Franse kunstenaar Christian Boltanski is al jaren geobsedeerd door de dood. Zijn installaties en projecten raken aan de vluchtigheid van het bestaan. „Ik kan niet naar een baby kijken zonder te denken dat hij ooit zal overlijden.”

Gebruikte kledingstukken van Boltanski gaan na expositie terug naar de tweedehands winkel AFP foto Fred Dufour A view taken on January 9, 2010 at the "Grand Palais" in Paris, shows part of the work of French artist Christian Boltanski for the Monumenta 2010. This event is a yearly artistic encounter. Each year, a leading international contemporary artist is invited by the Ministry of Culture and Communication to create a new work for the 13,500 square meters nave of the Grand Palais, in the heart of Paris. AFP PHOTO FRED DUFOUR
Gebruikte kledingstukken van Boltanski gaan na expositie terug naar de tweedehands winkel AFP foto Fred Dufour A view taken on January 9, 2010 at the "Grand Palais" in Paris, shows part of the work of French artist Christian Boltanski for the Monumenta 2010. This event is a yearly artistic encounter. Each year, a leading international contemporary artist is invited by the Ministry of Culture and Communication to create a new work for the 13,500 square meters nave of the Grand Palais, in the heart of Paris. AFP PHOTO FRED DUFOUR AFP

Met zijn kale hoofd diep weggedoken in de kraag van zijn jas beent Christian Boltanski door de reusachtige hal van het Parijse Grand Palais. De kunstenaar rilt. Uit zijn mond komen nog net geen stoomwolkjes, maar kil is het wel – haast net zo koud als buiten, waar het wegdek van de Champs-Élysées er wit uitgeslagen bij ligt. „Het is mijn eigen schuld”, zegt Boltanski. „Ik heb geweigerd om het gebouw te laten verwarmen. Het mocht op mijn tentoonstelling niet aangenaam worden.”

Christian Boltanski (Parijs, 1944) is na Anselm Kiefer en Richard Serra de derde kunstenaar die in het kader van de jaarlijkse tentoonstellingsreeks Monumenta de immense hal van het Grand Palais met zijn kunst mag vullen. Zijn voorgangers trokken hordes bezoekers in het voorjaar. Op Boltanski’s verzoek vindt Monumenta deze keer hartje winter plaats. „Ik vind het van belang dat je als toeschouwer zelf deel gaat uitmaken van mijn installatie”, zegt hij. „Je staat er niet voor, zoals bij een schilderij, maar wordt erin ondergedompeld.”

We bevinden ons in het midden van de tweehonderd meter lange hal. Links en rechts strekken zich rechthoekige kleurenvelden uit, als netjes geordende bloemperken, of bollenvelden. Alleen zijn het geel en het rood hier niet afkomstig van narcissen of tulpen, maar van gebruikte kledingstukken. De jassen, truien en bloezen – genoeg kledij om alle clochards van Parijs de winter mee door te helpen – zijn keurig gerangschikt, met kragen die allemaal dezelfde kant op wijzen. Het kost geen moeite om in de kledingstukken lichamen te zien die, vooroverliggend op de kale betonnen vloer, één voor één in de rug zijn geschoten.

Tussen de kwadranten met kleren zijn looppaden uitgespaard. Je begeeft je er automatisch in stilte en met langzame tred doorheen, alsof je op een kerkhof tussen de grafzerken door slentert. Op ieder kruispunt hangt aan een roestige paal een luidspreker waaruit een ritmisch geluid klinkt. Een marcherend leger, denk je eerst nog, of Afrikaans getrommel. Maar dan, opeens, herken je het kloppende ritme van een mensenhart.

Al die hartslagen samen, vierhonderd in totaal, vullen de hal van het Grand Palais met een uiterst beklemmend gedreun. Het is alsof dat enorme gebouw zelf één groot pulserend organisme is geworden. Het gebons galmt door de gietijzeren zuilenrijen en echoot in de glazen koepels. Er is geen ontkomen aan.

Maar het naargeestigste onderdeel van Boltanski’s installatie is wel de berg kleding van zeker tien meter hoogte die als een perfect gevormde vulkaan in de hal is verrezen. Erachter staat een hijskraan met een rode grijparm die om de zoveel seconden een willekeurige hap uit de berg neemt en de ontzielde truitjes en T-shirts vervolgens weer vanuit de nok van het gebouw naar beneden laat dwarrelen – als vleugellamme engelen.

Een dodenfabriek, dat is wat Boltanski in het Grand Palais geschapen heeft.

„In mijn ogen zijn de lichamen op de grond nog steeds levend”, reageert de kunstenaar. „Je hoort hun hartslagen nog. Maar ze wachten op hun dood. Allemaal kijken ze in de richting van de grote berg. Dat is de plek waar je doodgaat. Degene die doodt, is God. Die rode grijper, dat is de hand van God.”

Zijn kunstwerk gaat over de willekeur waarmee het toeval – in God gelooft hij niet meer – ons lot bepaalt, vertelt Boltanski. „Als je, zoals ik, ouder wordt, zie je al je vrienden één voor één sterven. Het afgelopen jaar heb ik mijn goede vriendin en choreografe Pina Bausch verloren. Sindsdien heb ik mij gepijnigd met de vraag: waarom zij en niet ik? Daar is geen reden toe. Ik ben degene die altijd ongezond heeft geleefd, ik at en dronk veel meer dan zij ooit heeft gedaan. En toch ging zij dood en bleef ik leven.

„Ik maak vaak de vergelijking met iemand die door een bos loopt. Die vertrapt ongewild ook allerlei insecten. Het is puur toeval welk miertje blijft leven en welke wordt vermorzeld. Zo is het met ons leven ook. Er bestaat geen verklaring voor. Er is een macht, maar geen uitleg.”

De dood – daarover gaat al het werk van de autodidact Boltanski sinds hij zich op 24-jarige leeftijd voor het eerst als kunstenaar profileerde. Een van zijn eerste werken, eind jaren zestig, bestond uit een brief waarin hij zijn zelfmoord aankondigde en die hij bij wijze van mail art aan zestig vreemden rondstuurde. Hij kreeg vijf reacties. Enkele jaren later, in 1974, stelde hij een tentoonstelling in de kunsthal van Baden-Baden samen uit de eigendommen van een pas overleden dame. Hij veranderde niets aan de spullen, maar stalde die simpelweg uit in vitrines, alsof het een antropologische collectie betrof. Hij noemde het werk Inventory of objects that belonged to a lady from Bois-Colombes.

Internationale faam kreeg Boltanski met de altaar-achtige installaties die hij vanaf de jaren tachtig in musea over de hele wereld exposeerde. Met behulp van gevonden foto’s, brandende kaarsen, achtergebleven kleding, roestige koekblikken en eenvoudige peerlampjes probeerde de Fransman de herinnering levend te houden aan honderden naamloze gestorvenen. Er sprak een gevoel van afwezigheid en weemoed uit deze voorwerpen, die vaak geplaatst waren in donkere, kapelachtige ruimtes. Boltanski is nooit bang geweest voor al te theatrale effecten; zijn kunst mag best op het randje van sentimentaliteit balanceren.

Boltanski’s obsessie met de dood is vaak in verband gebracht met zijn ongewone jeugd. Hij werd geboren in 1944, op de dag dat Parijs werd bevrijd, maar groeide op in de schaduw van de oorlog. Zijn vader was een Joodse arts van Russische afkomst, zijn moeder een Franse schrijfster met een katholieke achtergrond. Tijdens de oorlog veinsden zijn ouders een echtscheiding – in werkelijkheid bracht vader Boltanski ruim een jaar door onder de vloer van het Parijse appartement. Na de oorlog waren zijn ouders zo bang dat het gezin uit elkaar zou vallen, dat Christian tot zijn achttiende nooit alleen de straat op mocht. De familieleden sliepen al die jaren op één kamer, met de slaapzakken van de kinderen rondom het ouderlijk bed. Naar school ging Christian vanaf zijn twaalfde al niet meer. „Daar dachten ze dat ik gek was, dus lieten ze me maar”, aldus Boltanski.

Die achtergrond moet van grote invloed zijn geweest op het kunstenaarschap van Boltanski. Bij het zien van zijn altaren met ingelijste kinderfoto’s, maar ook van de dodenfabriek in het Grand Palais, is de associatie met concentratiekampen nooit ver weg. Toch vindt de kunstenaar niet dat hij zwaar op de hand is. „Kunst mag van mij ook best grappig zijn”, zegt hij. „Ik hoop zelfs dat mijn volgende tentoonstelling weer wat vrolijker wordt. Maar een kunstwerk moet wel iets te zeggen hebben, ergens over gáán.

„Voor mij is het heel normaal om het over de dood te hebben. Maar ik merk dat het in onze tijd bijna onmogelijk is erover te praten. We zeggen ‘ontvallen’ in plaats van ‘sterven’. We werken de dood tegen, proberen zo oud mogelijk te worden, laten ons eindeloos behandelen in ziekenhuizen. Geloof me, ik hou van het leven. Echt, ik hoop dat ik 140 word in goede gezondheid. Maar ik kan niet naar een baby kijken zonder te denken dat ook hij ooit zal overlijden.”

Een tentoonstelling is, zo vindt Boltanski, geen plek voor entertainment, maar een plek waar je zou moeten nadenken. „Om allerlei redenen, voornamelijk economische, is kunst in de afgelopen jaren steeds meer in een soort droomwereld veranderd. Kunst is te lief geworden, te aardig. Het lijkt wel of er nauwelijks nog kunst is die echt vragen stelt. Toen ik jong was, waren het de critici en de museumdirecteuren die van belang waren, maar nu maken verzamelaars en veilinghuizen de dienst uit. Dat is een grote verandering en die betreur ik zeer.”

Om die reden wil Boltanski de werken die hij voor Monumenta maakte ook niet verkopen. De ijzeren palen zullen allemaal gerecycled worden. De kledingstukken, 31 ton in gewicht in totaal, zijn geleend van een verkoper van tweedehandskleding en zullen na de tentoonstelling weer teruggegeven worden. „Dus er is nog een leven voor die kleding na deze expositie”, zegt Boltanski. „In maart ga ik een vergelijkbaar werk maken voor de Armory Show, een kunstbeurs in New York. Maar ook dat werk zal niet verkocht worden.”

Hoewel de dood in al Boltanski’s installaties loodzwaar op het gemoed van de beschouwer drukt, draait het in zijn oeuvre eigenlijk om het leven. Al veertig jaar lang probeert de kunstenaar wanhopig vast te houden wat hem zo dierbaar is: de mensheid. Het liefst zou hij alle mensen op aarde een naam geven, plus een gezicht. „Iedereen is zo belangrijk. Als je in de metro zit, kun je verliefd worden op iedereen die tegenover je zit. Ieder mens is uniek, maar tegelijk ook zo fragiel.”

In 2000 probeerde hij met zijn project Les Annuaires alle bewoners op aarde te benoemen door telefoonboeken uit alle delen van de wereld te exposeren. Boltanski: „Maar dat lukte niet. Er gaan zoveel mensen dood en er worden zoveel nieuwe mensen geboren, dat is niet bij te houden. Het was een onmogelijk project. Een realiteit, maar ook een onmogelijkheid.”

Al zijn kunstwerken zijn gedoemd te mislukken, zegt Boltanski. „Ik heb het gevoel dat ik altijd faal. Want je kunt niemand behouden. Ik heb mijn hele leven geprobeerd om spullen te verzamelen – bewijzen – om te voorkomen dat dingen verdwijnen. Maar uiteindelijk heb ik daarmee dat verdwijnen alleen maar benadrukt. Ik heb het gevoel van verlies alleen maar groter gemaakt.”

Sinds vier jaar verzamelt Boltanski hartslagen, in een nieuwe poging zijn medemens tot in de eeuwigheid te herinneren. Hij heeft er nu zo’n 35.000, afkomstig van inwoners uit Zweden, Duitsland, Italië, Japan, Australië en Zuid-Korea. Ook in het Grand Palais kunnen bezoekers hun hartslag laten opnemen. In een zijruimte is een wachtkamer ingericht waar assistenten in witte jassen een intakegesprek voeren en vervolgens de hartslag van de ‘patiënt’ op een cd branden.

Boltanski vertelt hoe hij een jaar of vijf terug een kunstwerk had gemaakt met zijn eigen hartslag in een doosje. „De enigen die dat werk echt goed vonden waren jonge baby’s. Zij werden er zichtbaar blij van. Het is het eerste geluid dat een kind hoort, in de buik van zijn moeder. Later bedacht ik me dat het een mooi idee zou zijn om, in plaats van een foto, een cd te hebben met de hartslag van je gestorven moeder of grootmoeder. Dat je, als je haar mist, niet naar haar portret kijkt, maar die cd opzet. Toen besloot ik om te beginnen aan een grote bibliotheek van hartslagen.”

Bij toeval kwam Boltanski in contact met een kunstverzamelaar die op een Japans eiland een kunststichting heeft, de Naoshima Fukutake Art Foundation (zie pagina 12 en 13 van dit CS). Hij wilde het hartkunstproject van de Franse kunstenaar wel onderdak verlenen. Op 18 juli zal Les Archives du coeur op het eiland Teshima opengaan voor het publiek. Boltanski: „Er is daar een soort kantoor, met de database van al die hartslagopnames. Aan een technicus kun je dan de hartslag van je geliefde opvragen. En er wordt een kapelletje ingericht, waar je in alle stilte naar het hart kunt luisteren. Een afspraak maken hoeft niet, het is altijd geopend. Maar het is wel lastig om er te komen. Je moet eerst naar Tokio vliegen, dan nog een binnenlandse vlucht maken, vervolgens een stuk met de trein, en ten slotte nog twee keer met een boot.”

Waarom zoveel moeite doen als je de hartslagen ook gewoon op internet zou kunnen zetten? „Omdat die reis zelf belangrijk is”, zegt Boltanski. „Onderweg zal je nadenken over de dierbare die je verloren bent. Je moet het zien als een soort pelgrimstocht. Nu zijn veel van de mensen die hun hartslag gegeven hebben nog in leven. Maar op een dag zal Teshima een dodeneiland zijn.”

En dan is er nog dat andere curieuze project, op een nog verder gelegen eiland: Tasmanië. In dit nieuwste kunstwerk dient Boltanski’s eigen dood als uitgangspunt. Bij wijze van weddenschap laat de kunstenaar zich vanaf nu tot het eind van zijn leven permanent door drie camera’s filmen die in zijn atelier zijn opgesteld. De beelden worden live geprojecteerd in een grot op het privéterrein van een Australische verzamelaar. Deze collectioneur betaalt Boltanski in ruil een maandelijks bedrag. Sterft Boltanski, dan zijn de beelden eigendom van de verzamelaar en kan hij ermee doen wat hij wil.

„Deze man is verschrikkelijk rijk geworden met gokken”, legt Boltanski uit. „Hij kan heel snel rekenen en duizenden getallen onthouden. Daarom, heeft hij mij verteld, verliest hij nooit. Toen hij een werk van mij wilde kopen besloot ik een weddenschap met hem aan te gaan. Ik laat hem in termijnen betalen. Als ik binnen vijf jaar doodga, heeft hij een koopje. Maar als ik pas na tien jaar overlijd, draait hij verlies. Het omslagpunt ligt op acht jaar: op dat moment betaalt hij precies het juiste bedrag voor mijn kunstwerk. Hij is er overigens van overtuigd dat ik binnen acht jaar sterf, want hij heeft nog nooit een weddenschap verloren.”

Lachend zegt Boltanski dat hij een pact met de duivel heeft gesloten. „Want iemand die sterker is dan het toeval moet wel de duivel zijn. Hij wilde ook mijn as kopen, maar dat heb ik geweigerd. Ik wil niet in Tasmanië eindigen.”

Hij vertelt erover alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Vindt hij het niet vreselijk beangstigend, zo’n psychologisch schaakspel met zijn leven als inzet? „Misschien ben ik inderdaad wel een beetje gek”, geeft Boltanski dan schoorvoetend toe. Maar bang? Nee, dat niet. „Ik ben al zo oud. Het zou heel logisch zijn als ik binnen acht jaar het loodje leg. ”

Monumenta 2010. T/m 21 feb. in het Grand Palais, Avenue Winston Churchill, Parijs. Ma en woe 10-19u, do t/m zo 11-22u. Inl: www.monumenta.com