Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Wil je bezuinigen in een economie van aandeelhouders, geef dan werknemers een aandeel

Een kleine groep spelers heeft de afgelopen twintig jaar in het financiële schaakspel haar wil kunnen opleggen aan het gros van de bevolking. Nu moeten werknemers hun plaats opeisen. De reële productie-economie moet weer ruim baan krijgen.

Econoom. Oud-president-directeur van de Nationale Investeringsbank (1983-1987). Was bijzonder hoogleraar ondernemingsbeleid en management aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (1988-2002).

De nasleep van gebeurtenissen is vaak ingrijpender dan de gebeurtenissen zelf, dat geldt zeker voor economische crises. Dat komt doordat de nasleep ervan wordt gedomineerd door twee grote, moeilijk oplosbare vraagstukken: wie betaalt de rekening – wie draait op voor de gevolgen – en hoe pakt de herschikking van het internationaal-economische krachtenveld uit die op vrijwel elke economische crisis volgt?

Hoe meer aandacht het vraagstuk van de kosten van de crisis opeist, en de overheid en sociale partners het over de verdeling daarvan niet eens kunnen worden, met alle politiek-maatschappelijke verwikkelingen van dien, hoe groter de kans om als samenleving bij de herschikking van het internationale krachtenveld in de achterhoede terecht te komen en jaren van economische stagnatie tegemoet te gaan.

De ernst en de aard van de financiële crisis maakten dat de vrijheid van handelen van overheden bij de bezwering ervan gering was. De beleidsprioriteiten waren overduidelijk, de eenstemmigheid waarmee overheden – hoe verschillend ook van elkaar qua politieke achtergrond en traditie van optreden – de problemen te lijf gegaan zijn, is daarvoor typerend. Nu de financiële crisis bezworen lijkt en de economie gestabiliseerd is, zij het op een laag niveau van groei, gaan de beleidsverschillen weer een rol spelen. Maar één ding is duidelijk, het is niet de tijd om weer zo snel mogelijk terug te keren tot business as usual. Er zullen hoe dan ook principiële beleidskeuzes gemaakt moeten worden. De gevolgen daarvan zullen verstrekkend zijn. We staan voor de noodzaak om de economie op een nieuwe leest te schoeien. Dat geldt ook voor de sociaal-economische verhoudingen. De financiële gedrevenheid die ons economisch leven in de afgelopen twintig jaar beheerst heeft, is met onaanvaardbare risico’s gepaard gegaan. Overheden beraden zich intensief op mogelijkheden om de financiële sector aan banden te leggen. Zij willen niet opnieuw de kans lopen om banken en andere financiële instellingen met zulke grote bedragen te hulp te moeten schieten. Hoe noodzakelijk die interventie ook is, een cruciale zaak moet niet over het hoofd gezien worden, namelijk dat het diezelfde financiële sector geweest is die als drijvende kracht van de economie is opgetreden. Hoe aanvechtbaar de zeepbeleconomie in tal van opzichten geweest is, de reële economie werd door de financiële sector op sleeptouw genomen. Een nieuwe onroerendgoed-boom zal sowieso nog lang op zich laten wachten, het aan banden leggen van de financiële sector versterkt de noodzaak om andere groei-impulsen aan te boren om de economie weer op een bestendig groeipad te brengen. De reële productie-economie is dan aan zet maar dat gaat niet vanzelf. Daarvoor is een grondige heroriëntering nodig.

Het verloop van bijvoorbeeld de Japanse economie laat dat goed zien. Japan is voor Europa en de VS uit de recessie gekomen en de groeivooruitzichten leken gunstig. Nog maar kort geleden ging men uit van een groei van 5 procent. Dat getal is inmiddels bijgesteld tot niet meer dan een à twee procent. De bedrijfsinvesteringen zijn er niet van de grond gekomen en zonder opleving van de investeringen breekt het herstel af. Dat geldt niet alleen voor Japan. Ook in ons land zijn de verwachtingen van ondernemers weer behoorlijk negatief en neemt de afbraak van arbeidsplaatsen toe. Voor herstel is een omschakeling nodig. Nieuwe bestedingsimpulsen van de overheid kunnen wel tijdelijk soelaas bieden, maar die laten de kern van de zaak ongemoeid. Om de investeringen van de grond te krijgen is een gunstig investeringsklimaat onontbeerlijk en daaraan schort het.

Zolang de kwestie van de kosten van de crisis en de kwestie van de internationale economische herschikking niet zijn opgelost, zal alleen al de onzekerheid daarover een domper op het investeringsklimaat zetten. Maar er is meer nodig. Voor diepte-investeringen zijn er momenteel te veel onzekerheden. Het ligt niet binnen het bereik van overheden om het ondernemersrisico weg te nemen maar wél om omgevingsrisico’s te beperken. Op nationaal vlak gaat het dan om een goed functionerende arbeidsmarkt en een stabiel fiscaal klimaat , dat gunstig is voor investeringen in bedrijfsoutillage en om een adequate kennisinfrastructuur en bankfinanciering. Op het niveau van de EU komt daar het veiligstellen van de toegankelijkheid van exportmarkten en een evenwichtig valutabeleid bij.

De jaren 80 geven op dat vlak inzicht. De weg die veel Europese landen toen zijn opgegaan, is namelijk geen wenkend perspectief. Dat geldt ook voor ons land.

Niet alleen speelde de verscherping van de politiek-maatschappelijke tegenstellingen ons toen parten, ook het gebrek aan weerbaarheid van de EU op het terrein van de internationale handelspolitiek en het valutabeleid heeft de economie geschaad. Dat gebrek aan elan is een belangrijke verklaring voor het opmerkelijke feit dat Europa bij gebrek aan een eigen oplossing van de nasleep van de economische crisis van 1981-’82 zich ten slotte de neoliberale beleidsagenda heeft laten opdringen om toch maar een uitweg uit de malaise en verlamming te vinden.

Wat betreft Nederland kan geconcludeerd worden dat de politiek-maatschappelijke verdeeldheid destijds in de hand gewerkt is door de eenzijdige nadruk die in het beleid op loonmatiging en bezuinigingen is gelegd. Ondanks de forse inzet – Nederland was in Europa de kampioen op dat terrein – heeft de economische groei en daarmee gepaard gaande werkgelegenheid zich pas in de jaren 90 doorgezet en ook toen pas kwam het goed met de overheidsfinanciën. Bezuinigingen werden door het achterblijven van de belastingopbrengsten ingehaald, internationale ondernemingen dirigeerden hun investeringen naar landen met economische expansie en dynamiek. We kwamen terecht in een spiraal van bezuinigingen en loonaanpassingen zonder dat er licht aan het eind van de tunnel verscheen. Het maatschappelijke klimaat kwam in het teken van de moedeloosheid te staan.

Deze ervaringen illustreren een algemeen gegeven: een gunstig investeringsklimaat is niet alleen gebaat bij kosteneffectiviteit, dynamiek is minstens zo belangrijk. Daar komt bij dat de stagnatie een zelf versterkend effect heeft. Als investeringen uitblijven kunnen evenmin de mogelijkheden die de technologische vooruitgang biedt, worden benut. Daardoor komt de productiviteit onder druk te staan en wordt de concurrentiepositie geschaad. Loonmatiging weegt daar niet tegen op. Anders gezegd: een hoog niveau van investeren heeft een aanjagende werking. Die krachten vormen de belangrijkste determinanten van de herschikking in de internationaal-economische verhoudingen. China en enkele andere opkomende economieën hebben daarin door hun vroegtijdig economisch herstel een voordelige uitgangspositie verworven waartegen de EU mager afsteekt. Zoals Japan en de Newly Industrialized Countries (NIC’s) op de wereldmarkt de grote tegenstrevers van de jaren 80 waren, zullen China en de andere opkomende economieën dat in de komende decennia zijn. Wil je die partij geven dan moet je alle mogelijkheden van de technologische vooruitgang benutten. De investeringen moeten dus weer snel op gang worden gebracht.

De activiteiten die China ook voor de crisis heeft ontplooid op internationaal handelsgebied zijn trouwens indrukwekkend. Met de voornaamste energie en grondstof leverende landen in de wereld zijn bilaterale verdragen afgesloten waarin betaling door China veelal wordt gedaan in de vorm van aanleg van infrastructuur in die landen. Dat is een tweesnijdend zwaard.

Over de wenselijkheid en urgentie van het economisch herstel hoeft het debat niet te gaan, wel over het hoe. Binnen het CDA, hoe dan ook de sterkste politieke formatie, gaan de gedachten al weer uit naar megabezuinigingen van de overheid. Als daar geen tegenwicht tegen komt, staat ons een herhaling van zetten te wachten want die bezuinigingen zijn zonder loonmatiging niet te realiseren: de uitgaven van de overheid bestaan immers voor het overgrote deel uit loonkosten. Wellicht kunnen inventiviteit en creativiteit hier uitkomst bieden. Laat me daar twee voorbeelden van geven. De voorgenomen bezuinigingen zijn deels het gevolg van de steunbedragen die de overheid in de financiële sector heeft moeten stoppen. De vraag is op zijn plaats waarom de overheid die publieke uitgaven niet weer privatiseert. Dat zou kunnen door de aanspraken die de overheid in ruil voor de steun verkregen heeft, in de vorm van aandelen en leningen met voor de staat gunstige aflossingsvoorwaarden, onder te brengen in een beleggingsfonds.

Als de financiële sector ergens goed in is gebleken dan wel in het ontwikkelen van zulke fondsen. De beleggingsmarkt zit te springen om nieuwe instrumenten met een upward potential en dat is precies wat er met de aanspraken van de overheid het geval is. Door verhandelbaarheid van de deelnemingsbewijzen in dat fonds en zorg voor voldoende liquiditeit zullen institutionele beleggers (en particulieren) bereid gevonden worden de schuld van de overheid over te nemen en ze kunnen er desgewenst ook weer uit. De markt zal dan uitmaken wat de aanspraken van de overheid waard zijn.

Daarmee zouden we de problematiek van de staatschuld kunnen verlichten en voorkomen dat partijen tegenover elkaar blijven staan in plaats van zich gezamenlijk in te zetten voor het realiseren van een gunstig investeringsklimaat. Een vergelijkbaar voorstel kan gedaan worden voor het loonoffer dat van werknemers gevraagd gaat worden als het die kant weer uitgaat. Te voorzien valt dat de factor arbeid die in de afgelopen jaren toch al het stootkussen is geworden voor de ongewisheden van de economie, niet zonder slag of stoot zal berusten in de afwenteling van de gevolgen van de crisis op zijn schouders.

Dat geldt al helemaal als de sociale zekerheid daarbij ook weer in het geding gebracht wordt. In de jaren 80 viel veel voor ingrijpen te zeggen omdat veel uitkeringsregelingen toen mank gingen aan prikkels om te werken. De situatie van nu is daar niet mee te vergelijken. Goed werkende regelingen zijn juist bevorderlijk voor de arbeidsmobiliteit en van de werking van de arbeidsmarkt zal veel afhangen. Maar een aanpak waarbij de werknemers de grootste lasten te dragen krijgen zou ook voorbijgaan aan de actieve rol die de factor arbeid in het herstructureringsproces moet gaan vervullen. In de achterliggende periode waarin de macht van de aandeelhouder hoogtij vierde, is de positie van werknemers geërodeerd, ze waren niet meer in tel als stakeholder binnen de onderneming. In de komende jaren zullen er wissels getrokken moeten worden op de bereidheid van werknemers niet alleen om van baan te veranderen, maar ook om zich te (her)scholen en zich in te zetten voor economisch herstel. De slaagkansen daarvan zullen toenemen als een verbetering van het arbeidsklimaat volwaardig deel gaat uitmaken van het investeringsklimaat. De roemruchte KVP-politicus Romme (in de naoorlogse jaren fractievoorzitter) en Van den Brink (van 1948-1952 minister van EZ namens de KVP) hebben al in 1945 een voorstel gedaan om werknemers actief te betrekken bij de onderneming door ze naast hun loon te laten deelnemen in de winst en het kapitaal van de bedrijven waarin ze werken. De PvdA stond er destijds sterk afwijzend tegenover, ze was gekant tegen ‘volkskapitalisme’. Toen Den Uyl er in de jaren 70 in de vorm van een ‘maatschappijhervormend voorstel’ mee terugkwam, was die politieke context al reden genoeg voor de politieke tegenstanders om het af te schieten. Van den Brink speelde daarin ironisch genoeg, toen een leidende rol. Het plan is ook stukgelopen op de uitvoeringsproblemen. Inmiddels hebben we zoveel technische kennis en ervaring met beleggingsconstructies opgedaan waarbij indexen een belangrijke rol kunnen spelen, dat het op de uitvoeringskwesties niet langer hoeft af te springen. Door ook hier verhandelbaarheid na een aanloopperiode mogelijk te maken wordt de aantrekkelijkheid van deze regelingen vergroot. Voordeel ervan is dat moeilijke strijdpunten zo oplosbaar gemaakt kunnen worden op een manier die de factor arbeid bestempelt tot deelgenoot, wat weer kan bijdragen tot harmonischer sociale verhoudingen.

Er is nog een reden om vanuit het gezichtspunt van economisch herstel met enige zorg naar de politiek-maatschappelijke verhoudingen te kijken, niet alleen de economie zit in de klem, dat geldt ook voor de overheid. Beide hebben behoefte aan successen om het vertrouwen te schragen, maar om successen te kunnen boeken is vertrouwen een voorwaarde.

Het doorbreken van die vicieuze cirkel is alleen mogelijk door een serieuze poging te doen om met een geloofwaardig plan van aanpak de scepsis jegens de overheid te overwinnen en een opening te creëren die uitzicht biedt op een nieuw elan in de politiek. Het gebrek aan vertrouwen in de overheid berust niet op vertekende perceptie van burgers die de zaken verkeerd taxeren, het neoliberalisme dat de politieke voedingsbodem vormde voor de dominantie van de financiële sector heeft de overheid het sturend en stuwend vermogen uit handen geslagen. De financiële sector pretendeerde zelf die rol ten aanzien van het economisch leven te spelen. De overheid is de afgelopen decennia de speelbal geworden van financieel-economische krachten. Niet alleen burgers moesten zich aan de turbulentie en wetten van een financieel gedreven economie aanpassen, dat gold ook voor de overheid.

De manier waarop overheden overal ter wereld de financiële sector ten slotte te hulp hebben moeten schieten mag op het eerste gezicht een trendbreuk lijken, of het dat ook werkelijk zal zijn hangt af van de vraag of de reële productie-economie in staat zal blijken zich te herstellen los van de stimulansen van financiële zeepbellen. Zonder een uiterste inspanning die erop gericht is het investeringsklimaat over de hele linie te verbeteren, moet dat twijfelachtig geacht worden. We staan op een mogelijk keerpunt, een situatie die vraagt om een actieve rol van de overheid, niet in dirigerende maar in voorwaarden scheppende vorm. Als het langs de weg van een gedurfd plan waarin overheid, bedrijfsleven en werknemers participeren, zou lukken om de investeringen van de grond te trekken en de economie op een bestendig groeipad te brengen, zal er ook in politiek opzicht veel gewonnen zijn. Die keuze zou ook de bestaanszekerheid van de bevolking ten goede komen en daarmee speelruimte van het populisme inperken dat de stabiliteit van ons politieke systeem bedreigt.

Positieve verandering kan niet zonder stabiliteit. Ongestuurde verandering kan een onderneming en elke andere organisatie doen ontaarden in chaos. Zo’n veranderingsproces veroorzaakt veeleer onrust dan dat het leidt tot een verhoogd prestatieniveau.

Stabiele elementen kunnen helpen om zich effectief door ingrijpende veranderingen heen te slaan.

De zeepbeleconomie met haar steeds weerkerende euforie die uiteindelijk in een crisis ontaardde, zette de verhoudingen in bedrijven en publieke organisaties onder een richtingloze druk die desintegrerend werkte en ten slotte de politiek-maatschappelijke stabiliteit ondermijnde. Dit pleidooi ten gunste van een gezamenlijk project gaat niet voorbij aan de noodzaak van verandering en nieuwe initiatieven maar dan wel in de vorm van een zodanig gecontroleerd veranderingsproces dat het vertrouwen van de bevolking niet verspeeld wordt. Vertrouwen – zo ondervond ook de Amerikaanse onderzoeksgroep – schept een bereidheid tot veranderen.

In de achterliggende twintig jaar heeft een kleine groep winnaars haar wil aan het gros van de bevolking kunnen opleggen, het wordt tijd om bredere maatschappelijke belangen aan bod te laten komen. Daartoe zal de reële economie weer ruim baan moeten krijgen en daarmee het langetermijnbeleid van ondernemingen. De aandeelhoudersagenda moet worden ingewisseld voor de agenda van alle stakeholders.