Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Weg met de diëten

Wie overleefden de evolutie? Mensen die flink konden dooreten. Waarom nemen zoveel mensen zich toch elk jaar weer voor om minder te eten? ‘Dikke mensen roepen weerzin op.’

Barnard, Pepijn

Jannetje en Ellen

Jannetje: „Ha Ellen, het Weekblad wil dat wij een verhaal maken over afvallen en niet dik worden en alle goede voornemens daarover, en waarom het ook dit jaar weer niet zal lukken om ons eraan te houden. Omdat jij psycholoog bent en omdat ik er eerder in de krant over geschreven heb. Idee?”

Ellen: „Leuk, maar hoezo ‘niet lukken ons eraan te houden’? Jij lijkt me niet iemand die goede voornemens heeft over eten. Je bent hartstikke slank.”

Jannetje: „Daarom. Ze denken bij het Weekblad dat ik iets heb met het onderwerp. Is ook zo. Ik wil niet dik worden. Maar daar moet je in deze welvaart dus je best voor doen, heel treurig.”

Ellen: „Je hoeft daar toch niet je best voor te blijven doen? Op een gegeven moment heb je vaste eetgewoontes en dan hoef je niet meer na te denken bij wat je eet.”

Jannetje: „Wat eet jij dan op een dag?”

Ellen: „’s Ochtends een boterham, of twee, of ik maak havermoutpap. Tussen de middag meestal iets brood-met-kaas-achtigs. ’s Avonds een bord warm eten. En elke dag chocola, als vrouw moet je een deel van je dagelijkse calorieën uit chocola halen. Jij?”

Jannetje: „Altijd ongeveer hetzelfde en nooit iets tussendoor. Voor ontbijt twee boterhammen met chocola, voor lunch soep met brood, en karnemelk, ’s middags fruit (een smoothie), voor avondeten groente, pasta of rijst, en vlees of vis. Na het eten eet ik wel altijd koek of taart, en dan moet ik enorm mijn best doen om niet acht koekjes te eten, of twee stukken taart.

„Soms denk ik dan aan Hans Brug, hoogleraar epidemiologie in het VUmc in Amsterdam, een echte gezondheidsfreak. Fietsen, zwemmen, rennen, muesli, fruit en sla. Die zegt: wie overleefden in de evolutie? Mensen die goed vet konden opslaan en flink konden dooreten als er een overschot aan voedsel was. Dat tweede stuk appeltaart laten staan, dat is mijn gevecht tegen de evolutie.”

Ellen: „Dan ben je wel erg met eten bezig. Vreselijk. De hele dag overal verleidingen waar je niets mee mag. Ik eet tegenwoordig eigenlijk alles wat ik wil, dat scheelt verleidingen. En te veel achter elkaar snoepen vind ik gewoon vies.”

Jannetje: „Inderdaad, als je de gedachte aan eten onderdrukt, ben je er ook mee bezig. Maar in mijn familie zijn veel mensen dik en krijgen ouderdomsdiabetes. Van vaderskant komen we uit Spakenburg: vissers. In al die vissersdorpen – Urk, Volendam – zie je dikke mensen met diabetes, en vervolgens hart- en vaatziekten. Vissen doen ze niet meer, maar ze eten alsof ze de hele dag op zee zitten.

„Zullen we het wat wetenschappelijker maken? Ik zou wel eens meer willen weten over het evenwicht. Ik kom niet aan en ik val niet af, wat ik ook doe. Maar hoe zit het dan met het jojoën van mensen die op dieet zijn? Wil je lichaam altijd terug naar het hoogste gewicht dat het ooit gehad heeft? Waarom niet naar het laagste?”

Ellen: „En ik wil wel weten: waarom zijn mensen die het niet nodig hebben zo vaak met eten en lijnen bezig. Waarom ergeren ze zich zo aan dikke mensen? Is het jaloezie? Omdat ze zichzelf altijd inhouden terwijl die mensen wel eten wat ze willen?

„En iets anders: waarom worden mensen gemiddeld steeds dikker, vooral in lagere sociale klassen? Misschien is er wél steeds meer goedkoop voedsel beschikbaar, maar niet veel goede informatie over wat gezond en goed is. Die smoothies van jou bijvoorbeeld – ik weet nog dat Bridget Jones, die van het dagboek, schreef dat ze daar ineens héél veel van ging drinken, want gezond, fruit met yoghurt. Ze kwam tot haar verbazing kilo’s aan.”

Ellen

Daar zitten we dan weer: twee slanke vrouwen die zich druk maken over eten en dik worden. Wat hebben slanke mensen toch met dik?

„Dus toen dacht je: daar zoek ik een hoogleraar bij”, zegt Martijn Katan, hoogleraar voedingsleer aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Ik moet lachen. „Ja, precies.”

„Nou, ik kan daar grote hoeveelheden borrelpraat op loslaten, maar de vraag is: zijn er data? Om te beginnen betwijfel ik of slanke mensen zich drukker maken over vetzucht dan dikke mensen. Dikke mensen worden vaak uitgelachen, uitgestoten. Het cliché van de zorgeloze dikkerd is echt uit de tijd.”

Het doet me denken aan het nieuwe boekje van Hanneke Groenteman, Bestemming bereikt?, over haar gewichtsproblemen en het leven na haar maagverkleiningsoperatie. Een ontroerend eerlijk verhaal. Het beeld van ‘dik zijn’ dat eruit naar voren komt is dat van een levenslange gevangenisstraf. Dikke mensen hebben het niet alleen moeilijk met zichzelf, ze worden ook nog door anderen gediscrimineerd. Waarom? Dat iemand zich aan een roker stoort, begrijp ik. Maar aan een dikkerd?

„Westerse mensen vinden dik onaantrekkelijk”, zegt Martijn Katan. „Vroeger was dat anders: in de tijd van Titiaan en Rubens was vlezig erotisch, misschien omdat het gekoppeld was aan rijkdom. Nu is ‘dik’ sterk gekoppeld aan een lagere sociaal-economische status: gemiddeld zie je bij een dure golfclub meer rijke slanke mensen en bij een zwembad in een arme buurt meer dikke mensen. Maar waarom dikke mensen vaak bij sollicitaties gediscrimineerd worden, ook als hun omvang niets met hun werk te maken heeft? Daar kom ik op terug.”

Een paar dagen later belt hij. „Er is weinig Nederlands onderzoek, maar uit Amerikaans onderzoek blijkt dat veel mensen sterke vooroordelen hebben. Ze denken dat dikke mensen lui en minder ijverig zijn, dat ze geen zelfdiscipline hebben en geen initiatief nemen. Huisartsen vinden dat ook van hun dikke patiënten. Uit Zweeds onderzoek blijkt dat zelfs kinderen van tien zulke vooroordelen al hebben. Die zeiden bij tekeningetjes van dikke kinderen: die zijn traag en lui en – ook heel interessant – eenzaam. En kinderen uit hogere sociaal-economische klassen blijken die vooroordelen sterker te hebben dan armere kinderen. Dus het is niet zo dat die netter opgevoed worden en leren dat je zulke dingen niet mag zeggen. Ze doen het juist méér.”

Maar kan het ook zijn dat er een kern van waarheid in zulke vooroordelen zit?

„Dat heb ik me ook afgevraagd”, zegt Martijn Katan. „Het is niet gemakkelijk te onderzoeken, want heel dikke mensen zijn gemiddeld ook vaker werkloos en laag opgeleid en wat is dan de oorzaak van wat? Maar het onderzoek dat er is, biedt nauwelijks of geen ondersteuning voor het idee dat dikke mensen lui en initiatiefloos zouden zijn en dat je ze dus beter niet aan kunt nemen.”

Toch worden ze om die reden gediscrimineerd. „Ja. En er is nog iets anders: dikke mensen roepen fysieke weerzin op. Dat is een heel sterk effect, daar keek ik echt van op. Er is een onderzoek gedaan onder Amerikaanse psychologiestudenten waarin ze hun plaatjes lieten zien van mensen met verschillende gebreken. Iemand in een rolstoel, iemand die zijn linkerarm mist, iemand met een psychiatrisch verleden en met zelfmoordneigingen (dat werd er dan bij verteld), iemand die in het verleden vaak soa’s had opgelopen en iemand die vijftig kilo te zwaar was. De studenten vonden die laatste veruit het minst aantrekkelijk als sekspartner. Vooral als het een vrouw was, maar vrouwen wilden ook geen veel te dikke man. Dikke mensen zelf wilden ook geen extreem dikke partner. Kennelijk vinden we dik tegenwoordig héél erg onaantrekkelijk.”

Jannetje

Ik bel met Ellen Blaak, hoogleraar fysiologie van het vetmetabolisme aan de Universiteit van Maastricht, en vraag hoe het zit met dat evenwicht en het jojoën. Ze begint over leptine, een hormoon dat wordt afgescheiden door vetweefsel en het gevoel van verzadiging reguleert. Muizen waarbij de receptoren voor leptine kapot zijn gemaakt, blijven eten. Je denkt: leptine voorkomt dus dat je te veel eet. Helaas: als je meer eet, maak je meer leptine en wordt je er minder gevoelig voor. Ellen Blaak: „Er komt een nieuwe balans, maar bij een hoger gewicht.”

Daarna stuur ik een mailtje naar Frank Visseren, internist en epidemioloog, hoogleraar in het UMC Utrecht. Twee jaar geleden interviewde ik hem over de gevaren van buikvet voor de gezondheid. Afgelopen zomer reisde ik met hem en zijn groep mee naar Santiago in Noord-Spanje: ze doen onderzoek naar wat het met de bloedvaten en de stofwisseling doet als mensen in twaalf dagen 280 kilometer lopen. (De resultaten komen dit voorjaar.)

Gelachen om twee internisten in opleiding die mee waren, Daniël Faber en Jan Westerink – een magere sportman en een gereformeerde levensgenieter met een beginnend buikje. Ze aten heel veel en als ze hun bord weer eens hadden volgeschept met frites en vlees, zei Daniël Faber altijd: „Je wordt te dik, Jan.”

Jan Westerink: „Welnee man. Ik heb een BMI van 25 en ik kom al jaren niet meer aan.”

Daniël Faber: „Jawel, Jan. Vroeger was je mager.”

Jan Westerink: „Toen sportte ik nog.”

Daniël Faber: „Dat bedoel ik.”

Jan Westerink: „Ik kies er zelf voor, Daniël. Ik eet graag.”

Daniël Faber: „Je kiest ervoor, Jan? Geloof je het zelf?”

Ik vraag Frank Visseren ook hoe het zit met het evenwicht, en tik er nog een paar vragen achteraan. Is níét dik worden een kwestie van wilskracht? En: niet toegeven aan die door de evolutie bepaalde impuls om te eten als het kan, betekent dat: altijd een beetje honger?

Hij mailt terug: „Leuke vragen/punten waar niet altijd solide wetenschappelijke antwoorden voor zijn, maar waar wel wat gedachten over bestaan!”

De avond daarna belt hij. „Weet je dat we gemiddeld maar een grammetje per dag aankomen? Driehonderdzestig gram per jaar!”

Dus?

„Kun je nagaan hoe precies ons regelmechanisme is afgesteld. We zijn geneigd om te veel te eten, zeker als het aanbod er is. Maar niet véél te veel.”

De oplossing is: altijd wat minder eten dan je zin hebt?

„Dat denk ik wel.”

Is dat niet onnatuurlijk?

„Wat is onnatuurlijk? We geven ook niet de hele dag toe aan onze drang tot voortplanting.”

Zelf heeft Frank Visseren – niet dik, maar ook niet mager – zich erin geoefend om niet bij het ontbijt al met die lekkere kaas te beginnen. En: taart bij de koffie? Dan geen lunch.

Ellen

Hara hachi bu. Nooit gedacht dat ik nog eens met mijn kennis van het Japans zou koketteren, maar goed, het schijnt te betekenen: eet tot je voor 80 procent vol zit. Ik kwam het tegen op de website van Brian Wansink, hoogleraar voeding en voedselmarketing aan de Amerikaanse Cornell University.

Wansink is auteur van het boek Mindless Eating, vertaald als Hap slik weg: waarom we altijd meer eten dan we denken of willen. Geweldig boek, vol bizarre onderzoekjes en weetjes over de etende mens. Wansink liet zijn proefpersonen soep eten uit een kom die van onderaf werd bijgevuld, zonder dat ze dat doorhadden. Bleken ze gewoon door te gaan met eten. Mensen eten ook meer als hun bord groter is, als ze de koekjes thuis op ooghoogte in de kast hebben staan, als de chips in een grotere zak zitten – niet dat die dan altijd leeg gaat, maar er wordt wel meer uit gegeten. Dat komt, zegt Wansink, doordat de mens wat honger betreft slechts drie toestanden kent: uitgehongerd, propvol, of niet helemaal vol. Iemand die niet helemaal vol is, zal als hij er niet bij nadenkt in principe opeten wat hij voor zijn neus krijgt.

Dus de oplossing is nadenken bij wat je eet?

„Nee”, zegt Wansink. Zijn stem klinkt zacht door de telefoon. Het is zeven uur ’s ochtends in Amerika, waarschijnlijk is hij nog niet zo lang wakker. „Het probleem is dat je dan voortdurend wilskracht nodig hebt. Het is moeilijk om na het eten geen ijs te nemen als je vier verschillende smaken in de vriezer hebt liggen. Je moet het anders doen: je moet de omgeving zo inrichten dat je niet voortdurend bewust weerstand aan iets hoeft te bieden. Eet van een kleiner bord, leg koekjes niet op ooghoogte. Het is makkelijker om de omgeving te veranderen dan jezelf.”

Wansink verkoopt trouwens ook serviesgoed, kleine bordjes en lage kommetjes, via een van zijn websites. En armbanden met ‘hara hachi bu’ erop, om jezelf voortdurend aan je dieet te herinneren. Het oogt heel Amerikaans: je onderzoeksresultaten te gelde maken voordat een ander het doet.

Maar dat is een ander verhaal. Liever vraag ik hem nu waarom vooral arme, laagopgeleide mensen dik worden. Wansink vindt het een lastige vraag. Die kunnen geen fitnesscentrum betalen, zegt hij. En ze zijn misschien ook niet zo in goede voeding of de lange termijn geïnteresseerd – eerder in de vraag of ze deze maand de huur nog wel kunnen betalen.

Hoe verander je dat?

Dat kan niet altijd, denkt hij. „Je kunt mensen niet dwingen anders te eten of meer te bewegen als ze dat niet willen. Gelukkig is het vooruitzicht voor anderen heel hoopvol: je kunt gemakkelijk minder gaan eten als je dat echt wilt.”

Het klinkt alsof hij een hele groep mensen gewoon opgeeft. Niet de arme en laagopgeleide mensen – nee: de mensen die niet willen veranderen.

Als ik hem vraag waarom hij als slanke, fitte man zo in eten geïnteresseerd is, begint hij over zijn jeugd. Zijn vader raakte werkloos. Ineens kwam er heel ander eten op tafel. Melk van poeder. ‘Rare’ delen van een kip: de nek, de lever. „Ik raakte geobsedeerd door voedsel”, vertelt Wansink. En kijk waar hij nu is.

Jannetje

Ja, om jezelf niet vol te eten in een wereld vol eten is wilskracht nodig. Daarom word je er zeker op aangekeken als je niet dik wordt: je moet er een beetje dwangmatig voor zijn.

Ik bel met Dick Swaab, hoogleraar neurobiologie aan de Universiteit van Amsterdam en een bekende hersenonderzoeker, en vraag hoe het zit met al die mensen die veel meer aankomen dan driehonderdzestig gram per jaar. Hij begint over genetische factoren, die voor 80 procent je lichaamsgewicht bepalen, en genetische afwijkingen waardoor in de hersenen de receptoren voor leptine ontbreken. „Die mensen gaan er uitzien als Michelinmannetjes.”

Maar, zegt hij, er zijn nog veel meer oorzaken van vetzucht, gewonere: eetstoornissen, depressies, sociale factoren, life events. Volgens Swaab moet je niet een béétje dwangmatig zijn om niet meer te eten dan je nodig hebt, maar enórm. Dus komen er steeds meer heel dikke mensen.

Wat kunnen we daaraan doen?

„Geen idee. Er was een geneesmiddel waarvan men even dacht dat het werkte. Maar mensen werden er depressief van. Er zijn experimenten geweest met elektroden in bepaalde delen van de hersenen. Die gaven geheugenstoornissen. Misschien moeten we iets vinden dat mensen immuun maakt voor de verleiding van patat.”

Hij lacht, hij meent het niet.

We kunnen ons er ook bij neerleggen.

„En aanvaarden dat we niet erg oud worden. Je beschermt jezelf wel tegen dementie.”

Zelf is Dick Swaab ook wel een paar kilo te zwaar, zegt hij. „En ik eet echt niet veel hoor. ’s Morgens muesli, ’s middags een boterham met kaas, nooit aardappelen. Maar ik krijg helemaal geen beweging hè. ’s Zomers fiets ik wel eens. Maar ’s winters niet. Weet je trouwens dat mensen ’s winters zwaarder zijn? Dat wordt in de hersenen geregeld.”

Jannetje en Ellen

Ellen: „Ha Jannetje, hoe staat het nu met je goede voornemens?”

Jannetje: „Je bedoelt: wat is de moraal van ons verhaal? Ik denk: zie je, zo raar is het niet om niet dik te willen zijn.”

Ellen: „O ja – die conclusie had ik nog niet getrokken. Ik denk eerder: laat dikke mensen toch met rust. Laat iedereen het zijne doen. Maar inderdaad: niet dik willen worden, hoort daar ook bij.”

Jannetje: „Ik bleef wel hangen op die gram per dag van Frank Visseren: 360 gram per jaar sinds mijn 18de. Dan was ik nu een kilo of tien, twaalf zwaarder geweest – dat ik dat dan weer ga uitrekenen, zegt genoeg. Ik dacht terug aan mijn twee zwangerschappen. In de negende maand was ik twaalf kilo zwaarder, ik voelde me een olifant. Liever niet dus.”

Ellen: „Interessant dat we allebei bevestigd zijn in wat we al dachten. Ik wil me liever niet druk maken om eten, jij wel. En we zijn beiden in de luxepositie dat we het ons kunnen veroorloven om wat dat betreft te doen wat we willen.”

Jannetje: „Ik was nog niet klaar hoor. Die gram per dag zat nog een paar dagen in mijn hoofd, maar daarna dacht ik: kennelijk gaat die gram er ook steeds weer af, dus gewoon doorgaan met eten zoals ik nu doe en er niet meer aan denken. Ook mooi: kennelijk hoef je maar heel weinig te doen om niet dikker te worden.”

Ellen: „Mijn idee. Weg met de diëten, weg met de goede voornemens. Hoewel ik het vast niet kan laten om er een paar te maken. Maar dan een of twee, zei Brian Wansink nog. En niet veertien, wat sommige mensen schijnen te doen. Een of twee makkelijke. En niet over eten.”

Lees over de afslankervaringen van culinair journalist Joep Habets op pag. 30