Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Cultuur

Vroeger bang voor Russen, nu voor Marokkanen

In de jaren ’50 waren het de Russen, nu zijn het de Marokkanen voor wie mensen in Sassenheim bang zijn. Ze schuilen graag bij elkaar en zien de buitenwereld als bedreiging. Tien jaar na oudejaarsavond 1999 gingen we op bezoek in de Hein Baderstraat.

Fred van Kesteren, wie deelnaam aan de millenniumnacht van NRC op 31 decemberi 1999. De heer van Kesteren woont nog steeds in dezelfde straat. Alleen nieuw huis en nieuw nummer, maar op de zelfde plek.
Fred van Kesteren, wie deelnaam aan de millenniumnacht van NRC op 31 decemberi 1999. De heer van Kesteren woont nog steeds in dezelfde straat. Alleen nieuw huis en nieuw nummer, maar op de zelfde plek.

Alle bewoners van de Hein Baderstraat waren al weg, behalve Jaap Koning. Negenendertig lege huizen stonden er nog, in het veertigste woonde hij – alleen. Zijn vrouw, Geertje Koning, was een paar jaar eerder overleden na een hartstilstand en sinds die tijd bracht hij hele dagen in zijn tuin door. „Een paradijsje.”

Gelukkig had buurman Leo Geerlings zijn duiven – wedstrijdduiven – nog niet meegenomen naar zijn nieuwe woning in de Tijloosstraat, een blok verderop. Het was dus geen toeval dat hij die dag nog even in zijn oude huis was. Toen hoorde hij Koning schreeuwen. „Help! Help!”

Koning was gevallen, met zijn bovenbeen op een betonnen rand. Hij voelde het meteen: gebroken. „Ik heb daar een half uur gelegen”, zegt hij. „Nog mazzel dat ik mijn shag bij me had.” Twee sigaretten, voordat de ambulance kwam.

Dat was in 2006. Nu woont Koning in een seniorenappartement in De Gildehof, vijf straten verderop. Hij zit hele dagen vanachter zijn raam te zwaaien naar iedereen die voorbij komt. Hij had terug gekund naar de Hein Baderstraat, naar een van de nieuwe huizen die Woonstichting Vooruitgang daar de afgelopen jaren gebouwd heeft. Maar zijn kinderen wilden het niet. „Vader is tachtig”, zegt zijn oudste zoon. „Hij heeft COPD [een longziekte], hij is aan zijn benen geopereerd omdat zijn bloedvaten verstopt zaten en volgende maand gaat hij voor zijn rug. Wat moet zo’n man in zo’n groot huis?”

Op 31 december 1999 vierden vijf verslaggevers van NRC Handelsblad oudejaarsavond met bewoners van de Hein Baderstraat, in de Oranjebuurt in Sassenheim, een dorp van bijna 15.000 mensen tussen Leiden en Haarlem. De oude huizen stonden er toen nog, kleine arbeidershuizen van rond 1920, met oranjerode pannendaken (daarom: Oranjebuurt) en tuinen van bijna dertig meter diep. Vroeger waren dat moestuinen. We keken hoe mensen zich voorbereidden op de millenniumbug en of ze verwachtten dat er na twaalven nog water uit de kraan zou komen. Ja hoor, geen probleem. Sassenheim stond volgens sociologen model voor ‘een gemiddelde Nederlandse gemeenschap’.

Gabriël van den Brink, cultuursocioloog, zei dat wat we in Sassenheim zagen wat in 90 procent van de gewone mensenlevens te zien was. Levens waarin de grote wereld ver weg is en het eigen wel en wee de hoogte- en dieptepunten vormen.

Hij had onderzoek gedaan in Sassenheim, samen met de socioloog Cees Schuyt. Zij hadden dit dorp gekozen omdat de van oorsprong Tsjechische socioloog Ivan Gadourek er in 1950 en 1951 ook onderzoek had gedaan, de eerste community study in Nederland, met voor die tijd moderne methoden als grootschalige enquêtes.

Drie dagen voor Kerst 2009 zijn we teruggegaan naar de Hein Baderstraat, naar de vijf gezinnen van 31 december 1999, om te kijken hoe het ze in die tien jaren vergaan is. Er staan nu kloeke bakstenen huizen met rode pannendaken, ruime parkeerhavens voor iedere voordeur. In die parkeerhavens: het bestelbusje van een verwarmingsmonteur, van een kleine aannemer, een taxibedrijfje, een bakker.

Leo Geerlings (54), van de wedstrijdduiven, woont er niet meer. Waar eerst zijn huis stond, staan nu appartementen voor mensen met een handicap. Maar het huis in de Tijloosstraat dat hij en zijn vrouw kregen toegewezen bevalt „prima”. Hun vijf kinderen, uit drie huwelijken, zijn de deur uit. Ze wonen allemaal in de buurt.

Nee, Leo Geerlings zou niet weten wat er de afgelopen tien jaar voor grote dingen zouden zijn gebeurd, in elk geval niet bij hem. Hij plaatst nog steeds kunststof kozijnen. Hij is tevreden met zijn leven.

Koos van der Geest (65), van de overkant, is wel teruggekeerd en woont nu met een Poolse samen. Zijn vrouw, Annie van der Geest, is „heel naar doodgegaan” toen ze nog in hun wisselwoning zaten. Van der Geest, timmerman, praat er liever niet over. Maar dit was voor hem de grootste gebeurtenis in de afgelopen tien jaar.

Fred van Kesteren (54), tuinman op Huis ten Bosch, bij koningin Beatrix, woont er ook weer. Hij heeft ook zijn vrouw verloren toen ze in hun wisselwoning zaten. Voor hem was dit ook de grootste gebeurtenis.

Aas Wolvers (72) en zijn vrouw Sjaan Wolvers (69) zijn naar De Gildehof verhuisd. De grootste gebeurtenis in hun leven van de afgelopen tien jaar was op 27 augustus van dit jaar: Sjaan werd aangereden door een taxi, ze kwam nét uit het ziekenhuis. Nu kan ze niet meer zitten of staan van de pijn, begin januari wordt ze aan haar rug geopereerd.

Wolvers vertelt het terwijl hij staat te roken op zijn balkon. Zijn dochter zit binnen bij zijn vrouw, twee kleindochters komen ook net langs. Zijn buik is dik, zijn wangen zijn paars. „Komt door het goede leven”, zegt hij. Vroeger zat hij op de vrachtwagen voor de zuivelfabriek. Als hij trek had, mengde hij een fles chocoladevla met een fles slagroom.

Gadourek beschreef in zijn studie van begin jaren vijftig een Sassenheim waarin veertig procent van de mannen agrarisch werk deed, vaak in de bloembollen. Ze verplaatsten zich te voet of per fiets. De vrouwen waren thuis, met veel kinderen, die veel buiten speelden en van school wegbleven als de bollen geoogst en gepeld moesten worden. Bijna iedereen ging naar de kerk. Drie van de vier mensen waren bang waren voor de Russen en voor een nieuwe wereldoorlog, maar dat zeiden ze pas als de enquêteurs er naar vroegen.

Sassenheim in de jaren negentig, zei Gabriël van den Brink tien jaar geleden, dat was: welvaart, werken op Schiphol, tweeverdieners, kleine gezinnen, iedereen een auto, angst voor criminaliteit, betere gezondheidszorg en meer ziekteverzuim. Bijna niemand die nog naar de kerk ging. Alsof zich in die veertig jaar een revolutie had voltrokken, een heel geleidelijke.

En tussen december 1999 – voor 11 september, Fortuyn en Van Gogh – en december 2009? Weer een revolutie?

Nee, tot nu toe lijkt het meer van hetzelfde, met maar één opvallende nieuwe ontwikkeling: angst voor Marokkanen, voor moslims in het algemeen. Marokkanen zijn de nieuwe Russen. Maar net als in de jaren vijftig: niemand begint er uit zichzelf over. De angst wordt gebracht als het vanzelfsprekende antwoord op de vraag of er zich in Nederland de afgelopen tien jaar nog belangrijke veranderingen hebben voorgedaan.

„Jullie weten toch zelf wel wat er in dit land aan de hand is”, zegt de schoondochter van Koning, de man van 80 die nu in De Gildehof woont. „Moeten we dat nog uitleggen?” De oudste zoon: „In Sassenheim begint het nu ook en dan bedoel ik de immigratieproblematiek.” De familie zit rond de tafel bij Koning thuis, bij het raam. Er is nog een zoon, een dochter en twee kleindochters komen net binnen. Ze vertellen over de bedreigingen, de berovingen en de vechtpartijen die ze hebben gezien of meegemaakt. En altijd, zeggen ze, waren het Marokkanen.

Morgen krijgt Jaap Koning een scootmobiel, van de gemeente. Zijn oudste zoon geeft hem er een mobiele telefoon bij. „Kan hij me bellen als er wat is. Ze pakken vooral oude mensen, hè.” Geert Wilders heeft „voor 99 procent” gelijk, zeggen ze. Daarna praten ze over het eten van vanavond, over de nieuwe operatie van Koning, over dat hij nu al een jaar niet meer rookt. „Ik moest wel”, zegt hij. „Ik kreeg geen lucht meer.” „Je was er wel chagrijnig van”, zegt de oudste zoon. „Maar nu gaat het weer goed met me. Mijn kinderen zorgen voor me en ik woon mooi.”

Gabriël van den Brink, inmiddels hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg, zegt dat we het in Nederland niet slecht doen zolang het om materiële voorzieningen gaat: huizen, uitkeringen, gezondheidszorg. Het probleem is alleen dat deze voorzieningen geen oplossing zijn voor de grote vragen van het leven: verlies van geliefden, ziekte, vereenzaming.

„Vroeger hadden we daar de kerk en de verzorgingsstaat voor”, zegt hij. „Maar die hebben zich teruggetrokken. Daardoor dreigt er een grote geestelijke leegte te ontstaan.”

En dus, zegt hij, gaan mensen bij elkaar schuilen en voelen ze vanuit de buitenwereld vooral bedreigingen. Dat gevoel, en niet een of ander materieel tekort, maakt volgens hem dat veel mensen Wilders als hun redder zien.

Fred van Kesteren, de tuinman van de koningin, praat nog steeds over ‘we’ en in de tegenwoordige tijd als hij het over zijn vrouw heeft, ook al is ze vijftien maanden geleden overleden. Hij wijst naar de clowntjes, de opgezette vlinders, de glazen vazen, de speelgoedauto’s, de treinen en de oude tollen in zijn woonkamer. „Wat sparen we níét.” Het echtpaar had geen kinderen.

Alles deden ze samen, Constance en hij. Samen vierden ze zeven jaar geleden zijn 25-jarig jubileum als tuinman – een geblindeerde AA-wagen haalde hen op. Samen kochten ze een auto, voor 9.500 gulden. „Mijn nieuwe auto kostte 8.000 éúro.” Samen maakten ze de bouw van hun nieuwe huis mee. „Klommen we stiekem door het raam. Je wilt toch even kijken.”

Het behang, de meubels, alles was uitgezocht. En toen, een maand voor oplevering, in oktober 2008, overleed ze. Moedervlek op de rug, 25 centimeter weggehaald, was er toch nog een zaadje blijven zitten. „Zelfde verhaal als Kluun, behalve dan dat vreemdgaan.” Zes vrienden gaven hem een kaartje voor de film. Hij heeft ze alle zes weggegeven.

De buurt wist al jaren dat er plaats moest komen voor nieuwe huizen. In de oude zakte je door de vloer. Bovendien: zulke grote tuinen, daar paste volgens de Woonstichting best een rij huizen tussen. Ze hebben het slim gedaan, zegt Van Kesteren. „Eerst wilde niemand hier weg, maar de voorbeeldwoningen op de hoek zagen er mooi uit. En we mochten terug naar dezelfde plek, voor niet veel hogere huren.”

Na dertig jaar Hein Baderstraat kwamen Fred en Constance van Kesteren in een wisselwoning terecht. De beloofde anderhalf jaar werden er drie, de bouwer ging failliet. Daarna was het feest. „De gemeente deed echt wel haar best. Een muziekband, speeches van de burgemeester, van de Woonstichting en van die man van het bouwbedrijf.” De speeches sloeg hij over. „Al die mooie praatjes, zo leuk was het allemaal niet.” Natuurlijk, zijn huis is ruimer, de straat is mooi gerenoveerd. „Maar Jaap Koning zijn vrouw is ook dood, en die van Van der Geest, en de man van de buurvrouw van hiernaast is dood, en die van de buurvrouw verderop ook.” Fred van Kesteren streelt zijn kat. „Oude bomen moet je niet verplaatsen, zeggen ze.”

Er zijn mensen die blijven stilstaan, zegt hij, maar zelf gaat hij verder. Hij heeft twee Perzen genomen en op vrijdagavond gaat hij met de buurvrouw van nummer 30 naar de klaverjasclub. En elke dag laat hij zijn treintjes rijden, boven op zolder. „Het klinkt raar”, zegt hij. „Maar ik ben best gelukkig.”

Lees de interviews uit 1999 met dezelfde inwoners van Sassenheim op nrc.nl/binnenland