Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politie, recht en criminaliteit

Stil leven

Café ’t Hemeltje in Volendam ziet er nog precies zo uit als na de brand in de nieuwjaarsnacht van 2001. Een overlevende ging onlangs kijken.

Het interieur van Café ’t Hemeltje in Volendam, 2008 FOTO: Jan Burgers
Het interieur van Café ’t Hemeltje in Volendam, 2008 FOTO: Jan Burgers

Gerie Smit (24), brandwondenslachtoffer uit Volendam. Als je haar kwaad wilt maken, moet je haar zo introduceren. Negen jaar lang, zegt ze, heeft ze aan iedereen moeten uitleggen wat ze mankeert. Ze werd gek van de uitnodigingen voor ‘slachtofferavonden’. Er waren in Volendam ook bijeenkomsten voor vaders en moeders, broers, zussen, opa’s en oma’s. Ze dacht: nog even en mijn hond krijgt ook een brief.

Het was haar moeders idee, een paar weken geleden, om te gaan kijken in café ’t Hemeltje. Gerie Smit had net haar boek over de brand – ‘Nieuwe Handen’ – afgemaakt. Ze wist dat het café er nog precies zo uitzag als na de nieuwjaarsnacht van 2001. Familieleden van de veertien doden die er vielen door de brand, wilden tot nu toe niet dat er iets verandert.

Ze wees haar moeder aan waar ze over de bar was geklommen toen het vuur na een paar seconden alweer uit was. Zo staat het ook in haar boek: op de bar had ze haar been gestoten tegen de gloeiend hete bierkraan. Maar nu zag ze dat het geen bierkraan was geweest, maar het plateau waar de obers hun dienblad op kunnen neerzetten. Achter de bar had een jongen haar met een brandblusser in haar gezicht gespoten. „Hee”, had ze geschreeuwd, „stop daarmee.” De brandblusser lag er nog.

Er was een man bij van de gemeente, zegt Gerie Smit. Hij wees aan waar de doden hadden gelegen.

Die ‘man van de gemeente’ is Leendert Klein. Hij was journalist toen er brand uitbrak in het café, en hij herinnert zich nog dat hij zich die avond grieperig had gevoeld, maar toch had moeten werken. Leendert Klein leidt slachtoffers, nabestaanden of bijvoorbeeld brandweermannen rond die ’t Hemeltje nog een keer willen zien. Bij de gemeente noemen ze het café nu een memorial room. Er is nog niet besloten of het eruit blijft zien zoals nu. De nabestaanden mogen het zeggen.

Gerie Smit vertelt hoe chagrijnig haar moeder soms terugkwam van een ‘moederavond’. „Dan had ze te horen gekregen: je moet niet zeuren, mijn kind is er veel erger aan toe.”

Gerie Smit raakte ernstig verbrand aan haar handen, haar rug en haar benen, ze lag maanden in het ziekenhuis. Er kwam geen eind aan de hulp en de aandacht. Maar ze wilde zich niet zielig voelen, ze was bang dat ze niets anders meer zou kunnen zijn dan slachtoffer. „Ik voelde me geremd, ik dacht: kan ik mijn droom om journalist te worden nu niet meer waarmaken?”

Haar boek is het – knap geschreven – verhaal van een boze puber. Het kwaadst was Gerie Smit op Jan Veerman (bijnaam: Jan Dekker), de eigenaar van het café. Hij had zich niet aan de regels gehouden waardoor er droge, onbehandelde kersttakken aan het plafond hingen. Gerie Smit had zo’n brandende kersttak op haar rug gekregen.

Gerie Smit beschrijft hoe het ging – negen jaar geleden, niet lang na de brand – toen haar vrienden en vriendinnen het café nog een keer van binnen wilden zien. Jan Veerman is er. Hij heeft weinig tijd, hij tikt met zijn ring tegen de stang langs de bar en zegt: „IJzer wordt heet en wat doen de jongelui? Ze pakken de stang vast.”

In haar boek schrijft Gerie Smit dat ze ook naar ’t Hemeltje wil als ze dat hoort. „Al was het alleen maar om Jan Dekker van de trap te duwen.”

Gerie Smit is nu redacteur bij RTV Noord-Holland, ze woont samen met de eigenaar van de Piano Bar in Volendam. Jarenlang zei ze tegen iedereen dat ze nooit van haar leven in „dat kutdorp” zou blijven wonen, waar ze als brandwondenslachtoffer altijd maar „met fluwelen handschoentjes” werd aangepakt. Nu woont ze er toch, in een nieuwbouwhuis.

Als je Volendam een beetje kent, weet je hoe het daar meestal gaat: de mannen en de vrouwen leren elkaar kennen in het café. Ze werken hard, de mannen sparen voor een nieuw huis, de vrouwen voor de inrichting.

De meeste vrienden en vriendinnen die Gerie Smit in 2001 had, zijn meteen na hun middelbare school gaan werken. De jongen op wie ze verliefd was en voor wie ze in de nieuwjaarsnacht naar ’t Hemeltje was gegaan, werkte toen al voor het bouwbedrijf van zijn vader.

Haar vroegere vrienden kwamen naar de presentatie van haar boek, begin december in de Piano Bar. Ze gaan een reünie organiseren, zegt Gerie Smit.

Ze is allang niet meer boos op de eigenaar van ’t Hemeltje. Hij kreeg een taakstraf van 240 uur en hij mocht twee jaar lang geen horecaondernemer meer zijn. Het café verkocht hij aan de gemeente, de opbrengst gaf hij aan de stichting die de nazorg doet voor de slachtoffers. „Hij was verantwoordelijk”, zegt Gerie Smit, „maar niet schuldig. Als je iets bewust doet, ben je schuldig. Hij heeft dit niet gewild, hij moet er wel mee leven. Ik zou niet graag in zijn schoenen staan. Dan maar liever de littekens.”