Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

Loflied op de bodembedekkers

Maarten ’t Hart schrijft maandelijks over zijn moestuin. ‘Liever zo’n woest, ongecultiveerd ruig brandnetelveldje van Heleen van Royen.’

Beheer je zonder personeel een hectare grond, dan ben je gebaat bij flinke lappen tuin waar je geen omkijken naar hebt. Met goede bodembedekkers kun je zulke vrijplaatsen creëren. Hoewel er vele bodembedekkers voorhanden zijn, springen er op de zeeklei toch twee uit: klimop en maagdenpalm. Klimop is de ideale bodembedekker. Waar het groeit, komt vrijwel niks anders meer op. Klimop blijft het hele jaar door groen, en bedekt de bodem voorbeeldig. Het rukt ook snel op. Als ik tachtig ben, en niet meer tuinieren kan, is mijn hectare er volledig mee bedekt. Met het bewerkelijke gazon heeft de klimop nu al korte metten gemaakt. Dat hoef ik derhalve niet meer te maaien.

Maagdenpalm groeit minder hard, maar vormt ook een dicht, ondoordringbaar tapijt waar niets doorheen komt. Op klimop heeft het voor dat het mooi bloeit met blauwe bloemen. Reeds nu staat mijn maagdenpalm dankzij de opwarming van de aarde in bloei, net zoals trouwens de gele Leon de Winter-akonietjes, alle klimaatsceptici ten spijt. De winterakonietjes, anders pas bloeiend half januari, stonden zelfs begin december al in bloei. En dan zijn er nog auteurs die in deze krant durven schrijven dat er niets aan de hand is!

Het gouden principe van de bodembedekker laat zich ongedwongen uitbreiden naar andere terreinen des levens. Neem nou de krant. Werd zo’n krant vol geschreven door mensen zoals Karel Knip en Frits Abrahams, dan zou je elke letter willen lezen, dan kwam je dus aan niets anders meer toe. Gelukkig staan er ook tal van artikelen in die je zonder ook maar iets te missen, kunt overslaan. Sterker: ik denk dat het tot goed beleid van een krant behoort om auteurs aan te trekken die artikelen leveren die uitsluitend dienen als bodembedekker. Voor noch na hem heeft ooit iemand in de Volkskrant of NRC verrukkelijker bodembedekkersartikelen vervaardigt dan Arnold Heumakers. Je hart sprong hoog op van vreugde als je die naam onder zo’n ellenlang stuk ontwaarde. Godlof, dacht je dan, die lange lap kan ik ongestraft overslaan.

In de negentiende eeuw begrepen de schrijvers, anders dan die van nu, ook beter dat je af en toe in een roman passages moet inlassen die je met een gerust hart kunt negeren: lange natuurbeschrijvingen bijvoorbeeld. Gewiekst overslaan behoort namelijk ook tot de genoegens van het lezen. Bij een Engelse auteur als Richard Blackmore is het overigens net andersom: in zijn roman lijken de natuurbeschrijvingen welhaast prozagedichten, maar daar kun je het verhaal juist weer overslaan.

Ook in de muziek werkt dit principe. In elke grote compositie tref je passagewerk. Niet elke maat moet de luisteraar bij de keel grijpen, het gaat er juist om ontroerende passages af te wisselen met overgangsmaten die de luisteraar even op adem laten komen. Geen componist die vloeiender, vakkundiger overgangsmaten componeerde dan Mozart. Maar Berlioz bijvoorbeeld was niet in staat om bodembedekkende overgangsmaten te componeren. En je hebt ook componisten die uitsluitend bodembedekkers leveren: Boccherini bijvoorbeeld. Hij componeerde uniek geluidsbehang.

In de bijbel vormen de geslachtsregisters de bodembedekkers. In mijn jeugd was er altijd discussie of die, als er door mijn vader na de maaltijd een volgend hoofdstuk uit de bijbel werd voorgelezen, overgeslagen mochten worden. Natuurlijk mogen ze dat, want die registers, dat is bij uitstek klimop, al beweerden de ouderlingen op huisbezoek steevast dat er „ook uit de geslachtsregisters een woordje tot je kon komen”.

In de letteren heb je ook Boccherini’s, schrijvers die uitsluitend bodembedekkersproza leveren. Soms heel mooi proza, daar niet van, en hier en daar bloeit zelfs een enkele bloem zoals bij de maagdenpalm, maar toch: wat zij leveren is in essentie bodembedekker. Het werk van Conny Palmen is daarvan een sprekend voorbeeld. Mooie maagdenliteratuur, typisch beschaafd bodembedekkersproza. Daarom is die discussie ook zo dwaas of dit nu hogere literatuur is, vergeleken met Saskia Noort en Heleen van Royen. Want welk verstandig mens, behalve literaire snobs, geeft de voorkeur aan het zintuigloze palmenproza van Conny boven zo’n woest, ongecultiveerd ruig brandnetelveldje van He-leen van Royen?