Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Sport

'Ik ben een gewone dokter, geen Jomanda'

Rien Heijboer staat bekend als wonderdokter – een term waar hij zelf niet gelukkig mee is. Sinds kort behandelt de orthopedisch chirurg Marianne Timmer.

Rien Heijboer: „Mijn werk is voor de leek moeilijk te vatten.” Foto NRC Handelsblad, Leo van Velzen Rotterdam, 29-12-09. Dr. M.P. (Rien) Heijboer, orthopeed bij het Erasmus MC, met gipsmeester Jeannette Zeevat en "patient" Kanoer Robert Bouten. Foto Leo van Velzen NrcHb.
Rien Heijboer: „Mijn werk is voor de leek moeilijk te vatten.” Foto NRC Handelsblad, Leo van Velzen Rotterdam, 29-12-09. Dr. M.P. (Rien) Heijboer, orthopeed bij het Erasmus MC, met gipsmeester Jeannette Zeevat en "patient" Kanoer Robert Bouten. Foto Leo van Velzen NrcHb. Leo van Velzen

Richard Krajicek, Ron Vlaar, Bram Som, Zlatan Ibrahimovic, Mark Huizinga, Ellen van Langen, Ron Zwerver. Wie het rijtje van bekende topsporters ziet die door Rien Heijboer zijn behandeld, begrijpt waarom de orthopedisch chirurg in de pers vaak als wonderdokter wordt afgeschilderd. ‘Second opinion redt Timmer’, kopte De Telegraaf vorige week over het snelle herstel van de geblesseerde schaatsster na haar bezoek aan het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam.

Blij wordt de medicus niet van dat soort kwalificaties. Niet alleen staat de telefoon na elke publiciteitsgolf roodgloeiend, ook voelt hij zich daardoor kwetsbaarder dan je van iemand in zijn positie zou mogen verwachten. „Net als bij andere beroepen gaat er bij ons wel eens wat mis. Zoals de infectie die voetballer Ron Vlaar tijdens de operatie aan zijn voorste kruisband opliep. Een zeldzame complicatie, maar het had voor vette krantenkoppen kunnen zorgen. En ja, zie daar als arts maar eens tegen op te boksen.”

Om die reden gaf Heijboer (57) in zijn 25 jaar lange carrière maar één uitgebreid interview. En zelfs toen werden zijn uitspraken verkeerd geïnterpreteerd. Je mag volgens hem niet van journalisten verwachten dat ze zijn handelingen in de juiste context plaatsen. „Mijn werk is voor de leek moeilijk te vatten. Maar één boodschap wil ik toch graag overbrengen: ik ben geen Jomanda. Ik ben een gewone dokter die ook met tegenslagen te maken krijgt.”

Zijn grootste angst is om collega’s voor het hoofd te stoten. Want hij kan zich goed voorstellen dat het niet prettig is aan de schandpaal genageld te worden. Laatst zag hij een discussie over Robin van Persie in Studio voetbal. De gesprekspartners hadden het over de KNVB-arts die als eerste zijn recente enkelblessure onderzocht. ‘Een verkeerde diagnose’, was het lekenoordeel. Terwijl de rol van Van Persies werkgever onbesproken bleef. Waarom liet Arsenal de dure aankoop op eigen houtje naar Servië reizen, vroeg Heijboer zich af. „De medische staf van topclubs zit doorgaans boven op behandelingen bij spelers.”

Daarmee wil Heijboer niet zeggen dat hij alternatieve genezers als de Servische arts Mariana Kovacevic, die Van Persie met placentavocht behandelde, per definitie wantrouwt. „Ik weet niet of haar behandeling werkt, dus waarom zou ik mij kritisch opstellen?” Van belang is volgens hem wel dat alternatieve therapieën niet de functie van basistherapie krijgen. En dat ze geen risico voor de patiënt opleveren. Maar Heijboer ziet niets in het argument dat alternatieve therapieën wetenschappelijk onverantwoord zijn. „Iedere dokter doet wel eens dingen die niet wetenschappelijk onderbouwd zijn. Maar dat betekent niet dat ze geen effect hebben. Wat dacht u van placebo’s: die kunnen ook helpen tegen de pijn.”

Vlak voor zijn vlucht naar Servië kwam Van Persie bij Heijboer langs. „Hij was onderweg van de ene naar de andere dokter, en vertelde dat het ‘ongelooflijk druk’ was in de wachtkamer van de Servische hulpverlener. Vól met spelers uit de Premier League. Ik heb begrepen dat Van Persie was getipt door Orlando Engelaar over het bestaan van de alternatieve arts Kovacevic, die op zijn beurt getipt was door Danko Lazovic. Dat bewijst dat spelers elkaar blindelings volgen in hun zoektocht naar spectaculaire genezing.”

Topsporters hebben volgens Heijboer allemaal hun voorkeuren. En de wederzijdse beïnvloeding is groot. „Ik kan vandaag een behandelplan maken dat morgen wordt afgeblazen omdat de patiënt voor de uitgang van het ziekenhuis een collega tegen het lijf liep die hem van gedachten deed veranderen. Ik begrijp het wel, hoor. Geblesseerde topsporters hebben het zwaar. Ze moeten in beperkte tijd het beste uit zichzelf naar boven halen. Daar heb ik veel bewondering voor.”

Als vader van voormalig profwielrenner Mathieu Heijboer heeft de arts het hele proces van nabij meegemaakt. Zijn 27-jarige zoon besloot vorig jaar wegens blessureleed een punt achter zijn carrière te zetten. Kort daarna werd hij gevraagd om trainer te worden bij een ploeg van Rabobank. „Eerst brak hij zijn heup, later volgde een hardnekkige beenblessure. Nee, ik heb hem niet zelf geopereerd, want ik behandel geen familieleden. Maar ik heb wel gemerkt hoe groot de onzekerheid van geblesseerde topsporters kan zijn. In die periode greep Mathieu iedere strohalm aan. Ik heb ervan geleerd dat je als arts geen barricades moet opwerpen als iemand vertrouwen heeft in een therapie. Dat is zinloos, want de radeloosheid is groot. Maar de mensen díe ik behandel, moeten weten dat ze in onzekere tijden van mij op aan kunnen.”

Heijboer raadt geblesseerde topsporters zelden aan hun carrière te beëindigen. Liever laat hij hen zelf de knoop doorhakken. „Wat ik wel doe is de scenario’s schetsen. Dan zeg ik bijvoorbeeld dat de klacht waarschijnlijk elk seizoen eerder zal terugkeren. Of dat zij beter niet meer twee keer op een dag kunnen trainen. Maar adviseren er een punt achter te zetten doe ik liever niet. Sporters moeten daar aan toe zijn. En bovendien heb ik te veel wederopstandingen in mijn loopbaan gezien.”

Zo kent Heijboer genoeg voetballers die met flinke artrose een paar seizoenen doorspeelden. En wat te denken van de zestigjarige kwarttriatleet die met een volledig verdwenen gewrichtsspleet van de knie achtste werd op het EK in zijn leeftijdscategorie. „Als ik zijn foto’s bij medische congressen laat zien, krijg ik steevast de reactie dat er een nieuwe knie in moet. ‘Onmogelijk’ is de reactie als ik vertel hoe het ervoor staat.”

Als vanzelf komt daarmee het gesprek op Marianne Timmer, de schaatsster die ruim anderhalve maand geleden zó lelijk ten val kwam in Heerenveen, dat de artsen haar aanvankelijk twee procent kans gaven om zich medio januari te plaatsen voor de Olympische Spelen in Vancouver. „Mijn eerste indruk was dat het om een lelijke breuk ging”, zegt Heijboer, die door oud-Feyenoorddoelman Henk Timmer werd gebeld over diens geblesseerde vrouw. „Dus wilde ik meteen weten wat ze wilde bereiken om verder te komen. Dat bleek dus dat kwalificatietoernooi in januari te zijn.”

Wat daarna volgde was volgens Heijboer een „proces van geven en nemen” binnen medisch verantwoorde grenzen. Timmer gaf aan wat haar wensen waren, de arts knabbelde daar een stukje van af. Zij deed daar een schepje bovenop – en zo verder. Uiteindelijk kwamen ze samen bij de grens van het haalbare. „Timmer wilde van het gips af, ze kon niet wachten om te gaan trainen. Ze zei: ‘als ik morgen op de fiets stap en hartfrequenties van boven de 180 haal, heb ik een kans’. Daar hebben we toen samen een plan voor opgesteld.”

De kans dat de drievoudig olympisch kampioene aan het kwalificatietoernooi meedoet, schat Heijboer op vijftig procent. Hij houdt het voor mogelijk dat Timmer op het juiste moment piekt, als haar voet het houdt. „Kijk naar Ellen van Langen. Die kwam hier in maart 1992 met een achillespeesontsteking, om vijf maanden later goud te winnen bij de Olympische Spelen in Barcelona. Sommige sporters komen sterk terug na een blessureperiode. Dat heeft alles met gretigheid en mentale weerbaarheid te maken – eigenschappen waar ook Timmer over beschikt.”

Topsporters lopen vaak lang rond met blessures, omdat zij bang zijn dat de pers er lucht van krijgt. Dat geldt zeker voor profvoetballers, voor wie grote financiële en sportieve belangen op het spel staan. „Ik ken genoeg voetballers die zich in het geheim laten behandelen”, vertelt Heijboer, die al twintig jaar als consulent voor Feyenoord werkzaam is. „Het predicaat blessuregevoelig proberen zij zo veel mogelijk te vermijden.”

Toen hij zijn loopbaan begon voelde hij nog wel eens de hete adem in zijn nek van coaches die wilden dat hun speler geopereerd werd en „zo snel mogelijk de wei in ging”. Maar nu zijn bekendheid groter is, kan Heijboer daar naar eigen zeggen beter mee omgaan. „Tegenwoordig houd ik trainers en zaakwaarnemers zo veel mogelijk buiten de deur. Ik zeg dat ik puur in het belang van de patiënt handel.”