Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Cultuur

'Het achtste kind was weer een jongen'

Celil Toksöz (1960) woonde tot zijn vierde in het huis van zijn vaders moeders. ‘Mijn vader bleef nummer één.’

Celil Toksoz
Celil Toksoz

‘Zeven jongetjes baarde mijn oma, en alle zeven gingen ze dood. Mijn oma was ten einde raad. Misschien wil God niet dat jullie een zoon krijgen, zeiden de mensen, en ze kwamen met tips: mijn oma moest geitenoren eten, ze moest gaan bedelen in een bordeel en van het geld een schaap kopen, dat slachten en het vlees aan de armen geven. Haar achtste kind was weer een jongen. Toen zeiden de mensen: als je wilt dat hij in leven blijft, moeten jullie tot hij acht is doen alsof hij een meisje is. Hij moet een jurk aan, en zijn haar mag niet worden afgeknipt.

„Zo groeide mijn vader op: als de lang gewenste zoon in een huis met twee moeders en volop aandacht. Mijn oma was de tweede vrouw van mijn opa; zijn eerste vrouw woonde in hetzelfde huis en bestierde als oudste het huishouden. Mijn oma kreeg nog drie kinderen, maar mijn vader bleef nummer één. Toen hij ook nog een goeie opleiding voltooide en elektricien werd, kreeg hij een nog betere positie in de familie. Hij was verwend.

„Toen mijn vader 23 was, gingen zijn twee moeders op zoek naar een geschikte bruid voor hem. Ze keken in badhuizen, op huwelijksfeesten, ze belden bij mensen aan voor een glas water. Dat was gebruikelijk. Zo ontdekten ze mijn moeder: een mooi meisje, perfect voor mijn vader.

Het enige probleem was haar leeftijd: mijn moeder was dertien, en sinds Atatürk mochten meisjes pas trouwen als ze achttien waren. Via de Koerdische buurtverantwoordelijke werden er twee getuigen opgetrommeld die voor de rechter verklaarden dat mijn moeder eigenlijk achttien was, maar dat ze te laat bij het geboortenregister was opgegeven. Dat kwam wel vaker voor. Mijn moeder kreeg een nieuw geboortejaar in haar paspoort, een nieuwe identiteit. Op haar zestiende kreeg ze haar eerste kind, Haydar.

„Ik heb tot mijn vierde in het ouderlijk huis van mijn vader gewoond. Hij kwam er moeilijk weg, ze lieten hem niet gaan. Zijn ouders bepaalden alles: zij kozen onze namen, en ze lieten de regel van het lange haar ook gelden voor mij en mijn broers. Op straat werden we er niet mee geplaagd. Het was onze familietraditie, en iedereen respecteerde dat. De haren die eraf gingen, verzamelde mijn moeder in een kussen. Ze heeft het nog steeds.

„Deze foto is bijzonder, want het is een van de weinige waar we allemaal samen op staan. De chef van mijn vader heeft hem gemaakt. Het was winter, het was koud. We woonden sinds een jaar in een andere stad, Elazig, op twee uur rijden van onze geboorteplaats Diyarbakir.

Mijn vader was aangenomen als elektricien bij de nieuwe stuwdam die in Elazig gebouwd werd. Hij verdiende beter dan eerst en we hadden een huis met drie kamers en een slaapkamer, maar in Elazig waren we vreemdelingen, allochtonen. Er waren daar niet veel Koerden. Op school werden we gepest, en mijn moeder werd de eerste jaren niet uitgenodigd op de vrouwenbijeenkomsten in de buurt. Maar we waren altijd samen, en samen waren we sterk.

„De chef van mijn vader was aardig. Voor het bezoek had mijn vader ons geld voor de kapper gegeven: 5 lira. Mijn broer Haydar wist wel een kapper waar we voor de helft van de prijs geknipt konden worden. Dan konden we 2,50 in onze eigen zak steken. Een slim plan, maar die kapper had ons met de tondeuse helemaal kort geschoren. Ik voelde me heel ongemakkelijk. Ik vond de dochter van de chef leuk – een blond meisje, ze staat linksonder op de foto. Maar ik zat daar met die kale kop.”

Zijn zoon maakt zijn huiswerk in de woonkamer. Zijn oudste dochter vertrekt naar boksen, zijn jongste heeft voetbaltraining. Wat moet je nou met zo’n stel, zucht hij trots. Hij vreest de dag dat ze het huis uitgaan.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl