Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Cultuur

Geiten doodkijken valt niet mee

Amerikaanse legerlaboratoria onderzochten begin jaren tachtig of New Age verzinsels bruikbaar waren als gevechtstechniek.

Hoofdrolspeler George Clooney probeert een geit dood te kijken in de film The men who stare at goats.
Hoofdrolspeler George Clooney probeert een geit dood te kijken in de film The men who stare at goats.

Op 7 januari gaat in Nederland de film The men who stare at goats in première. Het is het verhaal van een laboratorium in Fort Bragg van het Amerikaanse legeronderdeel Special Forces. Daar zouden in de jaren tachtig van de vorige eeuw pogingen zijn gedaan geiten dood te staren.

Men who stare at goats is gebaseerd op werk van de Britse journalist Jon Ronson: het gelijknamige boek en een driedelige documentaire Crazy rulers of the world (2004). Ronson laat zien dat in de jaren tachtig bij het Amerikaanse leger vergaande ideeën, om het welwillend te formuleren, de ruimte kregen om te worden onderzocht.

Inspirator was generaal-majoor Albert Stubblebine III, die Ronson vertelde dat hij persoonlijk pogingen ondernam op zijn kantoor door een muur te lopen. Ook probeerde hij ’s nachts thuis te leviteren. Stubblebine denkt dat hij faalde doordat hij de juiste gemoedstoestand niet wist te bereiken. Wolken wegdenken kan hij wel, bevestigde zijn vrouw tegenover Ronson.

Stubblebine propageerde bij Special Forces onderzoek naar genezing door geestkracht, naar driedimensionale tijd, het buigen van lepeltjes en het telepatisch stoppen van het hart van een dier. Je kunt je niet permitteren, zegt hij, zulke dingen níet te onderzoeken.

STRIPVERHAAL

Vietnamveteraan en New Age-adept Jim Channon kreeg van Special Forces de opdracht een ‘First Earth Battalion’ op te richten, om alternatieve gevechtstechnieken te ontwikkelen. Channon, die tegenwoordig resideert op een berghelling op Hawaii tussen zelfgeteelde groente, schreef een ‘Operations Manual’ dat op internet nog te vinden is en grotendeels de vorm heeft van een stripverhaal. Soldaten zouden de vijand tegemoet moeten treden met twinkelende ogen, luidsprekers waaruit vreedzame geluiden sijpelen, en met lammetjes in hun armen. Het typeerde de sfeer waarin Special Forces verkeerde, en waarin geen idee te gek was.

Zo kreeg de Californische psycholoog Jim Hardt op een gegeven moment bezoek van een militaire delegatie. Men wilde een demonstratie van de machine waarmee Hardt, via elektroden, het iq van zijn patiënten wel twaalf punten omhoog kreeg. Twee mensen die tegelijkertijd werden aangesloten konden elkaars gedachten lezen. De leider van het militaire gezelschap was niet beschikbaar voor de demonstratie, schrijft Ronson. Die kende teveel geheimen.

Deze eeuw heeft het tijdschrift Wired heel wat artikelen gewijd aan pseudowetenschap bij het leger. Er was een ‘Remote Viewing Program’ dat probeerde helderzienden in te zetten voor de nationale veiligheid. Nog altijd is er discussie over de vraag of dit programma meer of minder succesvol is geweest dan de CIA in het voorspellen van de aanslagen van 11 september 2001. Er was onderzoek naar telekinese, naar het zien met de huid en naar toepassingen van hekserij. De betrokkenen praten daar zonder gêne over. De documenten op websites van het leger, waar Wired in 2007 naar verwees, zijn inmiddels wel verdwenen.

SLAPSTICK

Leverde het resultaat op? Ronson stelt dat de flower power die Jim Channon propageerde heeft geleid tot niet-dodelijke wapens, waarvan er inmiddels tamelijk veel beschikbaar zijn. Al weet Ronson ook hier de slapstick feilloos te vinden. Toen de Amerikaanse strijdkrachten in 1995 in Somalië een kleverig schuim wilden gebruiken om een oproer te smoren, wachtten de beoogde slachtoffers tot het schuim was gehard, om er vervolgens doodgemoedereerd overheen te klimmen. De beelden werden op de Amerikaanse tv opgeleukt met een slijmerige scène uit de film Ghostbusters.

Volgens Ronson is een andere spin-off het gebruik van keiharde muziek als martelinstrument in Irak (zowel kinderliedjes als hardrock). Hij legt verband met de rustgevende geluiden die Jim Channon zijn soldaten wilde meegeven. Als hij Jim Channon zelf hierover benadert, weet deze eerst van niets, is hij vervolgens verrast en nieuwsgierig, en ‘bevestigt’ hij tenslotte dat dit wel uit zijn gedachtegoed zal zijn voortgekomen. Als we dan toch onbevooroordeeld zijn: overtuigend is dit allerminst.

Dat geldt ook voor het verhaal van de geiten. Dat geprobeerd is een geit dood te denken, hoeft na het bovenstaande niet te verbazen. Maar in het hele werk van Ronson zijn geen twee lezingen die met elkaar overeenstemmen. Waarschijnlijk is een dergelijk experiment gedaan met de geit in één ruimte en een (verondersteld) paranormaal begaafd persoon in een andere kamer. Van staren kan de geit dus niet veel hebben gemerkt. Of het is gelukt, wie het deed en hoe – daarover verschillen de meningen. Eén bron zegt zelfs dat de geit stierf aan een speciale Oosterse vechttechniek. Ronson ontmoet een zekere Guy Savelli die zegt de dader te zijn. Hij heeft ook zijn hamster doodgedacht, al kostte dat drie dagen. Savelli beweert de bewijzen van beide op video te hebben, maar produceert die niet.

In ieder geval staat er een onvoldoende voor methodologie en verslaglegging. De conclusie moet zijn dat tijdens de proefnemingen van Special Forces al met al maximaal één geit is overleden. Voor een eliteëenheid van het Amerikaanse leger is dat geen indrukwekkende score.