Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Media

'Een leven zonder geheugen is heel ingewikkeld'

‘Historicus van het jaar’ Ad van Liempt wist van geschiedenis een televisiehit te maken. Deze maand vertrekt hij bij de NPS. Gesprek over zwarte bladzijden uit het verleden en het belang van zuivere journalistiek. ‘Ik wil van mijn gewetensfunctie af.’

Beslissend moment Ad van Liempt in 1970, als jonge verslaggever van Het Centrum in gesprek met de toenmalige schaatsvedette Jan Bols.
Beslissend moment Ad van Liempt in 1970, als jonge verslaggever van Het Centrum in gesprek met de toenmalige schaatsvedette Jan Bols.

Een tafeltennisser zou je niet meteen in hem vermoeden. Lopend door het NPS-gebouw in Hilversum is journalist Ad van Liempt een wat log figuur, een heer in het zwart met een hoed op. Toch was hij als jongen nationaal kampioen. Twee jaar geleden is hij weer begonnen, nadat hij darmkanker had gehad. Hij dacht dat hij de ziekte misschien kreeg door zijn zittende bestaan. Dat het goed zou zijn als hij weer ging sporten. Hij speelt zelfs weer competitie, eerste klasse. „Nog best hoog.”

Van Liempt opent een deur waar ‘geschiedenis’ op staat. Deze gezamenlijke afdeling van de NPS en de VPRO, een klein jaar geleden opgericht onder zijn leiding, is een klein wonder in het Mediapark waar alles op zuil (omroep) en niets op thema wordt georganiseerd. Het is het type prestatie waarmee Van Liempt al jaren respect oogst in Hilversum. En misprijzen. „De meeste omroepen moeten er niet veel van hebben”, zegt hij, terwijl hij gaat zitten in de vergaderruimte, versierd met historische affiches. „Het is een bijl aan de wortel van het systeem.”

Op 25 januari krijgt Ad van Liempt de Beeld en Geluid-oeuvreprijs uitgereikt voor zijn bijdrage aan de ontwikkeling van de Nederlandse televisie. Behalve veelgevraagd eindredacteur van mega-uitzendingen over Elfstedentochten, verkiezingsuitslagen en koninklijke uitvaarten, was hij medebedenker en eindredacteur van NOS Laat (later NOVA), de eerste dagelijkse actualiteitenrubriek. Later bedacht en maakte hij het dubbel bekroonde geschiedenisprogramma Andere Tijden en de pas uitgezonden serie De Oorlog, die, vertelt hij trots, gemiddeld 960.000 kijkers trok, met Boer zoekt Vrouw op het andere net.

Vorige maand werd hij ook nog tot ‘historicus van het jaar’ verkozen door de lezers van het Historisch Nieuwsblad. Hij vindt het een goede grap: hij die nog geen dag geschiedenis heeft gestudeerd en op het gymnasium een bloedhekel had aan het vak, dankzij zijn eerste leraar. „Die vertelde nooit, hij dicteerde alleen. Dictaatcahier op de bank en met blauwe vingers de hele tijd schrijven. Dat heeft mijn liefde voor geschiedenis echt gedood.”

De „truc” waarmee hij toch een negen haalde voor zijn eindexamen noemt hij behulpzaam „misschien wel een typerend verhaal”. Kort voor het examen, dat deels over het fascisme zou gaan, las hij een vuistdikke, op dat moment toonaangevende Hitlerbiografie. Zodra zich in het mondelinge examen de kans voordeed, verwees hij nonchalant naar dat boek. „De gecommitteerde schoot omhoog. Wat, heb je dat boek gelezen? Toen ging het alleen nog maar daarover.” Wat goed uitkwam, de rest had hij niet geleerd.

Waarom een nieuwe televisieserie over de oorlog?

„De afgelopen 25 jaar is er veel onderzoek gedaan dat onbekend was bij het grote publiek. Ik vond al langer dat dit aandacht verdient. Toen kwamen er opeens fondsen beschikbaar van het ministerie van VWS. De afdeling ‘erfgoed Tweede Wereldoorlog’, die onder Welzijn valt, heeft 22 miljoen euro gekregen om het materiaal te gaan beheren van de clubs van oorlogsgetroffenen. Het Dachaucomité bijvoorbeeld. Die clubs sterven uit. Een deel van het geld is bedoeld om het materiaal openbaar te maken.”

U zei: geef dat geld maar aan mij?

„Ik heb lang gedacht dat De Oorlog mijn idee was, maar kort geleden bleek dat er een mailtje van VWS aan voorafgegaan is. We hebben wel een constructie bedacht waarmee we het volstrekt onafhankelijk konden doen. Ik had geen zin om hijgende types van die afdeling in mijn nek te krijgen.”

Sinds de jaren negentig combineert Van Liempt zijn werk bij de tv met het schrijven van boeken. Hij schreef een geschiedenis van het Journaal en, toen hij thuiszat na zijn chemokuur, een boek over de Utrechtse voetbalclub DOS. Zijn belangrijkste boeken gaan over zwarte episoden uit de vaderlandse geschiedenis. Kopgeld uit 2002 is een onderzoek naar Nederlandse premiejagers die joodse onderduikers voor 7,50 aan de bezetter verkochten. Daarover was nog nauwelijks iets bekend.

Hoe verklaart u dat?

„Eerst dacht ik dat Nederlanders niet willen weten wat er echt gebeurd is. Dat is mij uit het hoofd gepraat. Als dat al zo zou zijn, zou het voor ieder volk gelden. Nu denk ik: historici maken weinig gebruik van politie- en justitiedossiers. Het is geen voor de hand liggende bron. Misschien lagen ze te ver weg, bij Justitie in Den Haag. Pas in 2000 zijn ze overgedragen aan het Nationale Archief.”

Tijdens zijn research ontdekte Van Liempt dat de ‘grote vissen’ na de oorlog waren veroordeeld tot de doodstraf, maar doordat ze gratie kregen na maximaal veertien jaar weer vrijkwamen.

„Dat vind ik toch wel disproportioneel, voor mensen die zoveel geld hebben verdiend door lage praktijken, en daarbij zo mishandeld en getreiterd hebben. Van de allerergste dacht ik: schandalig dat die gratie krijgt. Toen wist ik het niet meer. Ik was toch een weldenkend mens dat in principe ernstig tegen de doodstraf was?”

U schreef niet op dat het schandalig was.

„Nee, maar de opsomming van de gratieverleningen had hetzelfde effect, hoorde ik van lezers.”

De Lijkentrein, uit 1997, gaat over 46 Indonesische gevangenen die in 1947 omkwamen in een oververhitte trein, door nalatigheid van Nederlandse mariniers. Van Liempt, niet zo’n reiziger, ging naar Indonesië en vond negen mensen die het drama overleefd hadden. Later interviewde hij in Nederland de man die als hoofdverantwoordelijke was veroordeeld.

„Het bleek dat hij die dag in ’47 op groot verlof zou gaan. Hij stond daar op de trein te wachten met zijn plunjezak, om naar huis te gaan na anderhalf jaar trouwe dienst, en iemand gaf hem een stapel papieren die hoorde bij drie wagons met gevangenen. Hij ging in de trein zitten. Hij hoorde wel geschreeuw en gebonk, maar wist niet hoe hij de deuren zou moeten openmaken. In Surabaya gingen de deuren open en lagen daar die doden. Zijn wereld stortte in. Definitief. Hij werd vastgezet als een grote oorlogsmisdadiger. Zijn naam heb ik weggelaten. Dat doe ik bij iedereen. Die mensen hebben kinderen, die moeten daar niet onder lijden.

„De strekking van het boek was dat er een incompetente prutser van een commandant zat, een man met een dubbele naam, die zich er totaal aan heeft onttrokken. Hij is niet vervolgd. Gruwelijke klassejustitie, die militaire rechtspraak.”

Heeft u die dubbele naam ook weggelaten?

„Die heb ik wel genoemd.”

Hij had misschien ook kinderen.

„Ja… nou ja… Het is niet helemaal congruent, maar als ik moet kiezen dan kies ik toch liever zo. Omdat hij aan veroordeling was ontkomen.”

U wilde iets rechtzetten?

Aarzelend: „Ja. Een wat zuiverder beeld krijgen. De Lijkentrein verscheen op de dag dat het vijftig jaar geleden gebeurd was. In die vijftig jaar heeft Nederland zo’n beetje de hele wereld de les gelezen over de rechten van de mens. Dan denk ik: waar halen wij als samenleving het lef vandaan als we in ons eigen verleden dit soort gebeurtenissen negeren, ontkennen bijna. Tijdens de Vietnamoorlog voor een ambassade staan en vlaggen verbranden terwijl je nog nooit van Galung Galung hebt gehoord [waar Nederlandse militairen in 1947 een slachting aanrichtten]... Dat was toen nog maar twintig jaar geleden.”

Twee jaar na ‘Galung Galung’ werd Ad van Liempt in de Utrechtse Rivierenwijk geboren. Het moet een grauwe tijd geweest zijn, zegt hij, ondanks de lachende gezichten op zijn babyfoto’s. De wederopbouw moest nog op gang komen en de kranten publiceerden dodenlijsten uit Indonesië. In sommige maanden kwamen daar wel 160 Nederlandse militairen om.

Het gezin was „netjes arm”, zijn vader was timmerman en stukadoor. Ze leefden in de katholieke zuil. Zijn ouders lazen de Volkskrant en het Centrum de katholieke regionale krant. Tot zijn vijftiende ging hij naar de kerk. Via een buurtspeeltuin kwam hij terecht op een tafeltennisclub. „Alle goede clubs waren katholiek.” Het was een club met een jeugdbestuur, waar hij leerde vergaderen en het clubblad volschreef.

Waarom tafeltennis? Mensen noemen u een teamspeler pur sang.

„Ik heb eerst gevoetbald, maar vatte vaak kou op de training en dat vond mijn moeder vervelend. En in zo’n team had je er altijd een paar die liepen te lummelen terwijl jij je uit de naad werkte. Het leek me leuk om ook eens een sport te doen waarin de prestatie alleen van mij afhing.”

U bent de jongste van vijf kinderen, de enige die na de oorlog is geboren. Wat voor oorlog hadden uw ouders gehad?

„Standaard. Ze zijn erdoorheen gerold. Niets spectaculairs. Niet fout geweest, niet in het verzet gezeten.”

Werd er veel over gepraat?

„Toen ik zes was, was de oorlog tien jaar voorbij. Dan vang je veel op. Maar mijn belangstelling is later gewekt, door lezen.

U was ook de enige die heeft doorgeleerd. Hoe kwam dat?

„Ik was een nakomertje, mijn jongste zus was 4,5 jaar ouder. Die 4,5 jaar was volgens mij precies de periode waarin het normaler werd dat iedereen naar elke school kon. Mijn zussen gingen naar de huishoudschool, mijn broer naar de ambachtsschool. Daar ging ons soort mensen naartoe.”

Na het gymnasium ging hij klassieke talen studeren in Utrecht. Hij vond dat een leuk vak, maar zijn studentenleven kwam nooit echt van de grond. Hij bleef bij zijn ouders wonen, ging om met zijn oude vrienden, tafeltenniste fanatiek. Lid worden van een studentenvereniging was niet aan de orde, veel te elitair. Hij was meer van het lange haar, de Beatles en de Stones. Zijn medestudenten vond hij saai. Het was 1968, een roerig jaar, en zij hadden het maar over Plato. Na een jaar haakte hij af.

„Ik zag er erg tegenop dat tegen mijn vader te zeggen, die in het ziekenhuis lag na een hartaanval. Maar hij zei: je hebt groot gelijk. Als je liever iets anders doet, moet je iets anders gaan doen. Mijn ouders waren schatjes. Ik heb nooit ruzie met ze gehad.

„Toen ben ik gaan solliciteren bij kranten. Ik was nogal een krantenlezer, al vanaf dat ik kon lezen. Ik had ook een abonnement genomen op Vrij Nederland. Een nieuwe, onthullende manier van journalistiek bedrijven, dat wilde ik ook. Na een enorme hoeveelheid afwijzingen (NRC, De Tijd, de Volkskrant) kwam ik uit in mijn eigen woonplaats, bij Het Centrum.”

Inclusief gymnasium verbleef Van Liempt twintig jaar „op de vierkante kilometer rond de Dom”, de laatste jaren als chef nieuwsdienst van het Utrechts Nieuwsblad. Toen was hij toe aan iets anders en reageerde op een advertentie voor plaatsvervangend chef binnenland bij het NOS-journaal. Zijn werk verplaatste zich naar Hilversum. Een overgang van woord naar beeld, van de vrije krantenmarkt naar de gesubsidieerde televisie. Als je hem op de kast wilt krijgen, moet je zeggen dat hij 28 jaar bij de staatsomroep heeft gewerkt.

„Al die tijd heb ik nooit iemand aan mijn bureau gehad die zei wat ik moest doen. In dit deel van het bestel, zonder leden, heerst een buitengewoon liberaal journalistiek klimaat. Zoals het hoort.”

Wat is het essentiële verschil met de schrijvende journalistiek?

„Bij de krant kun je het met je potloodje achter je oor in je eentje doen. Bij tv ben je nergens als loner. Voor een uitzending over verkiezingsuitslagen begin je te vergaderen met een paar man. Uiteindelijk blijken er 400 man aan mee te werken. Het organiseren van die samenwerking vind ik de grote kick van het werk.”

U wordt het journalistieke geweten van Hilversum genoemd.

„Dat heeft een keer als kop boven een artikel gestaan, daar kom je niet meer vanaf. Ik weet niet wat het is. Misschien dat ik in de tv-journalistiek nog weleens aan ethiek heb gedacht. Ik hoop dat het slijt nu ik stop, haha. Ik wil van mijn gewetensfunctie af.” Hij vertrekt deze maand bij de NPS, gaat met vervroegd pensioen. Zijn overige activiteiten zet hij als kleine zelfstandige voort.

De publieke omroep ligt bijna permanent onder vuur wegens geldverspilling en oneerlijke concurrentie met de kranten en de commerciëlen.

„Op het moment valt het wel mee. De kritiek concentreert zich op de reclame op de websites van de publieke omroepen. Daarmee dwarsbomen ze de pogingen van de gedrukte media om met hun sites nog iets aan inkomen te genereren.

„Ik ben het daarmee eens. De publieke omroep zou beter reclamevrij kunnen zijn. Er kijkt toch geen mens naar die reclameblokken. Dat zijn zapmomenten en dat weten de adverteerders ook. Die hebben kortingen bedongen tot 70 procent. De STER levert geen fluit meer op. De grote leugen is dat niemand daarover praat.

„Maak bijvoorbeeld één net reclamevrij. Dan schieten volgens mij de kijkcijfers omhoog. Je creëert wat schaarste, kunt de prijzen weer wat verhogen. En het is een mooie handreiking aan de noodlijdende kranten. Ik denk dat je daar wel naar toe moet.”

Het rommelt ook bij de actualiteitenrubrieken. Een Vandaag, Netwerk en Nova zouden te weinig een eigen identiteit hebben, ‘drie keer de Volkskrant’ zijn en zo de weg hebben vrijgemaakt voor de rechtse nieuwkomers PowNed en Wakker Nederland.

„Die kritiek getuigt van een groot gebrek aan inzicht. Er is weleens een berekening gemaakt van welke gasten van welke politieke partij in welk programma zitten. Het loopt totaal door elkaar heen. Niemand ondervraagt PvdA-ministers zo kritisch als Clairy Polak of Paul Witteman. Dat is al jaren zo.”

Wat stemt u zelf?

Afgemeten: „Dat heb ik nog nooit aan iemand gezegd. Journalisten moeten dat voor zich houden. Kijk. Die drie actualiteitenrubrieken zijn zo goed geworden omdat ze geen enkele ideologie meer uitstralen. De redacties doen gewoon wat ze moeten doen. Ze zorgen dat als er vandaag iets gebeurt, je daar morgen een verhaal over hebt. Alleen bij de EO heb je nog weleens dat je totaal onaangekondigd een dominee in beeld krijgt.

„Vergeleken bij het buitenland worden die Nederlandse actualiteitenrubrieken ontzettend goed bekeken. Mijn conclusie: breng de actualiteiten onder een algemene noemer, net als het harde nieuws. Noem het niet meer NCRV of VARA, dat slaat nergens op. De omroepen kunnen zich profileren met features, debatprogramma’s, talkshows. Met Knevel, met Rosenmöller. Maar haal de actualiteiten daar weg.”

Midden jaren tachtig werd Van Liempt chef van Studio Sport. Toen kwam de minuut die zijn leven veranderde, en dat van zijn gezin. In 1987 werd zijn oudste dochter aangereden op weg naar school. Ze lag elf weken in coma. Ze was dertien. Voor het eerst in het gesprek vallen er pauzes tussen zijn zinnen.

„Het was een jonge jongen. Hij heeft wel aanzienlijk te hard gereden. Ik heb ook weleens aanzienlijk te hard gereden. Het was natuurlijk een hel, die tijd. We hebben hem uitgenodigd. Met hem gesproken.”

Waarom?

Stilte. „Het is lang geleden hoor.” Stilte. „Ik weet het niet meer precies. Ik had het idee dat je er altijd mee rond zou blijven lopen als je dat niet zou doen. Ik heb gezegd dat wij niet persoonlijk haatdragend wilden zijn. Dat zoiets kan gebeuren, maar dat we vonden dat hij moest weten dat de gevolgen heel ernstig waren. Maar dat wij een juridische benadering kozen en niet hem gingen haten.”

Wat jullie natuurlijk wel deden.

„Nee.”

Nee?

„Niet zo van: ik sla je in elkaar. Er was geen opzet in het spel. Het was roekeloosheid.” Dan: „We moeten wel even kijken hoe dit in de krant komt. Voor je het weet lijk je een soort heilige.”

Is hij gestraft?

„Hij is veroordeeld – tot een lage straf maar dat maakt me niet uit. Ik wilde een vonnis voor de civiele procedure, de schadeclaim. Dat heeft uiteindelijk resultaat gehad, na jaren. De financiële kant is redelijk gecompenseerd.”

Om zijn dochter te kunnen begeleiden stopte hij bij Studio Sport en begon met Loe de Jong aan een remake van de serie De Bezetting. Terwijl hij in het collectieve geheugen dook, bleek zijn dochter een deel van haar geheugen kwijt te zijn, voorgoed. „Door de hersenbeschadiging herinnert ze zich weinig van wat net is gebeurd. Ze zal altijd hulp nodig hebben. Een leven zonder geheugen is heel ingewikkeld.”

Ze is nu 36 en woont in een woonvoorziening in de Achterhoek. Hij rijdt er elk weekend heen. Al jaren hebben ze samen een seizoenskaart voor FC Utrecht, ook nu hij bij die club in de raad van commissarissen zit. „Toen ik daarvoor gevraagd werd heb ik gezegd: ik ga niet meedraaien in het bobocircuit en ik blijf zitten op mijn eigen plek. Dat vonden ze raar, maar het mocht.”

Hield ze altijd al van voetbal?

„Ja, vroeger ging ze ook weleens met me mee. Niet dat ze… Ze vindt het gezelschap prettig, de rituelen. Maar dat is bij mij misschien wel net zo. Ook nu weer bij tafeltennis. Een avondje op pad met drie man in een auto. Tasjes erbij. Je in het zweet slaan in zo’n stinkende gymzaal, in Culemborg of Woudenberg. De rituelen maken het aantrekkelijk. Even in een andere wereld zijn.”