Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

Een keten van menselijkheid

Maar een paar keer per dag gaat het fout. Dan word je gesneden door een auto, kruipt er iemand voor bij de bakker of trap je in een ranzige hondendrol midden op de stoep. Je concept van het beschavingsniveau van Nederland daalt enige decimeters, tot je weer de tram in geholpen wordt met je koffer, iemand je narent met je vergeten paraplu en je een student een omgevallen fiets ziet rechtzetten. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat er zoveel mensen zo dicht bij elkaar kunnen wonen zonder dat er voortdurend afbekkerij, terrein veroveren, geduw, gescheld, geweld aan de hand is? Aan de godsdienst kan het niet meer liggen. Dat was een mooie tijd, toen die heel duidelijk de regels aangaf waaraan je je diende te houden: hulpvaardigheid, liefdadigheid, medemenselijkheid, barmhartigheid. Al die deugden die maken dat mismaakten niet in kooien opgesloten worden en als kermisattracties tentoongesteld, dat misdeelden een uitkering kunnen krijgen, dat dementen een menswaardige oude dag kunnen houden. Niet dat de godsdienst in dat opzicht altijd een mooie rol gespeeld heeft. De slavernij bijvoorbeeld, die op initiatief van christenen is afgeschaft, bloeide in een tijd dat heel Europa door en door christelijk was. Maar goed: toen de mensheid nog geloofde, kon je met de bijbel of een ander heilig boek in de hand de regels voor de samenleving vaststellen. De tien geboden en het eigen geweten maakten dat er een consensus was over de moraal.

Waar kunnen we ons nu nog aan vasthouden om niet in een gehaktmolen van agressie terecht te komen? Wie stelt de regels van menselijkheid vast? Het koningshuis? Laat me niet lachen! Schuinsmarcheerders, slimme belastingontduikers, boomkussers, gemaskerde alcoholisten, daar kan geen voorbeeldwerking van uitgaan. De regering? Balkenende? Iemand die het Catshuis zijn verleden afpakt en een Jan-des-Bouvrie interieur aanbrengt? Iemand die Mabel Wisse Smit een leugentje om bestwil aanrekent en zelf de waarheid verdoezelt over zijn Brusselse aspiraties? Wie of wat is dan de autoriteit waaraan we ons eigen gedrag moeten meten? De rechtspraak? Die vrouwenhandelaars laat ontsnappen? Die verkeerde daders jarenlang opsluit? Maar bij wie moeten we dan in godsnaam terecht voor ons geweten, als God niet meer bestaat? Zijn we het zelf? Hoe zit het dan met het geweten van motorrijders die het leven van anderen in gevaar brengen, hoe met tasjesrovers en straatmeubilairvernielers in Amsterdam-West? Dat zijn dan nog naar verhouding kleine misdadigers, met wie we allemaal wel eens geconfronteerd worden, maar hoe moet ik me het geweten voorstellen van mensen die ik alleen maar ken uit de media, zelfmoordterroristen, opiumhandelaars? Harry Mulisch zei eens dat er maar één regel is voor de samenleving: “wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”. Een gulden regel, die in veel godsdiensten en filosofieën voorkomt, maar geeft die voldoende houvast? Kun je volhouden in complexe kwesties als euthanasie of geboortemanipulatie: ik wil niet dat dit mij overkomt, dus zorg ik dat het ook een ander niet gebeurt? Ik wil zelf onder geen beding naar dokter Antinori in Italië (een goed wijnhuis overigens) voor een laat zusje voor mijn dochter – maar moet ik het dan mijn buurvrouw van zestig verbieden?

Denk niet dat ik antwoorden heb op deze vragen. Ik weet alleen zeker dat de literatuur een beetje hulp hierbij kan bieden. Niet dat er in de literatuur staat hoe je je hoort te gedragen in een overvolle wereld met voortdurend veranderende infrastructuren. Literatuur is geen ethiekmachine. Je krijgt geen oplossingen aangereikt voor de moraal van het internet, voor gedragscodes bij een toevloed van vreemdelingen, voor je zelfbehoud in een massameeting. Maar wat de literatuur wel doet is vragen stellen. Ze dwingt je om positie te kiezen in die grenzenloze maatschappij waarin we terechtgekomen zijn. Zij duwt je met de neus op kwesties als euthanasie, klonen, allochtonen, vluchtelingen, opvoedingseisen, dierenmishandeling, autoriteitsontkenning. Adriaan van Dis beschrijft in De wandelaar de randen van de Parijse maatschappij met zwervers, vluchtelingen, allochtonen, die elkaar naar het leven staan en toch is er een keten van menselijkheid. Stefan Brijs laat in De engelenmaker een autistische arts zijn gang gaan met het klonen van leven. Arnon Grunberg stelt de onnatuurlijke verhouding die sommige ouders met hun kinderen hebben in Tirza aan de orde. In De asielzoeker gaat het over gewetenloosheid van een doorgedraaide maatschappij. Herman Kochs populaire Het diner is een meedogenloze portrettering van moderne ouders die hoe dan ook altijd hun kinderen beschermen. Charlotte Mutsaers dwingt je in Koetsier Herfst de dierenmishandeling te ondergaan die zo gewoon is ten behoeve van de consumptie. Het zijn allemaal recente boeken die je aan het denken zetten en je dwingen een eigen positie te bepalen in gewetenskwesties.

Dit betekent nog niet dat literatuur nu de nieuwe godsdienst is. Ze is alleen wel cruciaal voor het nadenken over ethische vragen en voor het afpellen van schellen die voor de ogen zitten. Ikzelf ben ervan overtuigd dat er over een eeuw met schande over de twintigste en eenentwintigste eeuw gesproken zal worden, vanwege de omgang met dieren, die stelselmatig opgefokt werden als industriële producten om vervolgens massaal afgeslacht en verwerkt te worden voor consumptie. Of voor de ruimoven, als er via het dier een kleine kans was op overdracht van een virus. De bio-industrie zal middeleeuws genoemd gaan worden, en op de lijst komen te staan van overwonnen onbeschaafdheden als slavernij, kinderarbeid, de doodstraf. Maar dit inzicht is nog niet algemeen. Literatuur kan daarbij helpen – door het probleem uit te vergroten en extreem te maken, zoals Mutsaers inderdaad doet in haar laatste boek. De wetenschap helpt daarbij doordat zij steeds meer ontdekt over de intelligentie en sociale vaardigheden van dieren, maar daar tegenover staat de wetenschap die de bio-industrie steeds verder perfectioneert. Ook in het verleden heeft de literatuur keer op keer geholpen bij de bewustmaking van morele dilemma’s. Zij heeft de ellende van de slavernij invoelbaar gemaakt, de kinderarbeid helpen verbieden, het cultuurstelsel in Nederlands-Indië helpen afschaffen, de uitbuiting van arbeiders aan de kaak gesteld.

Literatuur stelt gewetensvragen zo aan de orde stelt dat de lezer gedwongen wordt positie te kiezen. Doordat de problematische moraal in de literatuur uitvergroot wordt, richt de literatuur de lezer naar de juiste keuzes, voor zover die er zijn. Niet dat die in de goede boeken expliciet uitgeschreven worden. De conclusie moet de lezer zelf trekken. Daarom is het ook zo goed dat er literatuurlijsten op scholen zijn. Volg de gemakzuchtige leraren uit de jaren zeventig van de vorige eeuw niet, die lezen vooral leuk wilden houden. Wiskunde en gymnastiek zijn ook niet leuk en toch protesteert niemand tegen het nut van die vakken. Leerlingen die de juiste literatuur lezen, worden vanzelfsprekend in het kiezen van een goede moraal geschoold. Dat ze dan ook nog in goede taal en stijl geschoold worden is een bijkomend groot voordeel. Als volwassenen zullen ze zelf ontdekken dat literatuur helpt morele posities te kiezen in een tijd waarin er geen autoriteiten meer zijn voor de moraal en we voor onze keuzen op onszelf zijn aangewezen.