Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Economische vrijheid: mooi voornemen in 2010

Zelfbeheersing is een groot goed in de economie, en zelden is er op een jaar vooruitgekeken waarin deze eigenschap zo op de proef zal worden gesteld. Welvaart gedijt bij vrijheid: om activiteiten te ondernemen, om dromen na te jagen, om nieuwe varianten uit te proberen en zo de samenleving vooruit te helpen, gedreven door een combinatie van eigen en algemeen belang. Dat geldt evenzeer voor ondernemers als voor schrijvers en toneelspelers.

Het geldt ook voor staten. Vrijheid nemen is het makkelijkst, maar dat houdt geen stand als zij anderen niet ook wordt gegund. Dat laatste vergt zelfvertrouwen, in de verwachting de concurrentie te kunnen domineren. Het vergt zelfbeheersing wanneer de competitie nu en dan eervol wordt verloren.

De zware crisis stelt de economische vrijheid op de proef. De steunmaatregelen waren hard nodig, met name in de financiële sector. Direct of als vraagstimulering met een accent op de eigen (auto-)industrie. Dit zijn de twee meest zichtbare vormen van steun, maar onder het oppervlak is de ijsberg veel groter. Wereldwijd stijgt het aantal maatregelen om de eigen, nu kwetsbare markt te beschermen. Onderhandelingen over een grotere handelsvrijheid zijn het afgelopen jaar niets opgeschoten. Dat de top in Kopenhagen niet tot een akkoord van betekenis leidde, heeft meer te maken met het economische klimaat dan met het meteorologische.

Niet voor niets kwam Kopenhagen uiteindelijk neer op een confrontatie tussen de Verenigde Staten en China. Het overwicht van de VS gaf dit land lange tijd een belang bij een wereldwijde economische vrijheid, dat reikte van het bevorderen van dekolonisatie tot het bewerkstelligen van een zo groot mogelijke vrijhandel en het opleggen van het eigen, liberale economische model aan anderen. Dat zelfvertrouwen taant en daarmee de bereidheid van de VS om voorop te lopen en zelf met concessies het voorbeeld te stellen.

China, dat over zeventien jaar de VS in omvang voorbij belooft te streven, is aan zo’n houding nog lang niet toe. Het land profiteert voluit van de vrijheid die er is, maar kent zelf een kunstmatig lage wisselkoers en een voor buitenstaanders moeilijk toegankelijke markt.

De tanende supermacht valt uit zijn rol, de opkomende supermacht wil er nog niet van weten. Japan en de EU spelen bij deze dynamiek geen rol van betekenis. Dit vacuüm wordt versterkt door de crisis. Het resultaat is een periode waarin regressie van de economische vrijheid een reële dreiging wordt. Dat heeft ook nationale gevolgen: een beperking van de internationale vrijheid slaat niet zelden naar binnen. Het actief steunen of afschermen van een industrietak, bijvoorbeeld, gaat niet alleen ten koste van concurrenten in het buitenland, maar ook van de binnenlandse verdeling van kansen en middelen.

De crisis in de financiële sector heeft onderstreept dat onbeperkte vrijheid met onvoldoende spelregels en toezicht, desastreus uit de hand kan lopen. De roep om beperkende maatregelen is dus terecht, maar moet niet tersluiks worden uitgebreid tot andere sectoren wanneer dat even goed uitkomt. Het resultaat kan dan een welvaartsdaling voor iedereen zijn, als pendant van de welvaartsstijging die vrijheid en globalisering onmiskenbaar hebben gebracht. Ja, het badwater mag weg in 2010. Maar alleen het badwater.