Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Beeldende kunst

Bioscoop? Museum? De grens vervaagt

De kritiek moet op zoek naar nieuw jargon, want film en beeldende kunst vallen steeds meer samen. Hoe twee musea de filmmaker exposeren.

Voor David Lynch maakt het niks uit. Schilderen, fotograferen, films maken, het is één pot nat. „De keuze voor het medium volgt uit het idee’’, zei Lynch tegen de Duitse Wereldomroep, ter gelegenheid van de opening van zijn tentoonstelling Dark Splendor in Brühl.

Lynch is een van die filmmakers die de laatste jaren meer furore maakt in musea dan in de bioscoop. Hoewel hij bij het grote publiek nog altijd bekend is als de man achter Blue Velvet, Twin Peaks en Inland Empire, is er voor zijn films – mysterieus, ongerijmd, en ja, schilderachtig – steeds minder geduld. Maar vertoond in galeries en musea, bij voorkeur met nog wat tekeningen, schetsen en installaties erbij, zijn ze een hit.

Hetzelfde geldt voor het werk van Tim Burton, waarmee het New Yorkse Museum of Modern Art een grote expositie heeft ingericht. Hoewel iedereen hoopt dat zijn verfilming van Lewis Carrolls Alice in Wonderland dit voorjaar een grote hit zal worden, heeft Burton zich de afgelopen jaren met bizarre hersenspinsels als Corpse Bride en Sweeney Todd ver verwijderd van de veilige mainstreamsmaak.

Tegelijk leggen kunstmusea er steeds meer eer in om filmmakers onderdak te bieden. Het eerste grote Londense retrospectief van het werk van de Portugese filmmaker Pedro Costa vond afgelopen herfst niet plaats in het daarvoor geëigende British Film Institute, maar in het moderne kunstmuseum Tate Modern. Let wel: het betrof hier louter filmvertoningen, en een door de filmmaker samengesteld randprogramma.

Het Parijse Musée d’Orsay gaf eerder al gerenommeerde filmmakers Hou Hsiao-hsien en Olivier Assayas financiële steun en inhoudelijke carte blanche bij het maken van hun films Le voyage du ballon rouge en L’heure d’été. En tijdens het komende Filmfestival Rotterdam (IFFR) zal de Louvre-film Visage van de Taiwanese grootmeester Tsai Ming-liang zijn Nederlandse première beleven. Die film wijkt zo af van alles dat we ooit in filmtheater of museumzaal zagen, dat de kunstkritiek naarstig op zoek zal moeten naar nieuw jargon om hem te beschrijven.

De wisselwerking tussen beeldende kunst en film is niet nieuw. Al sinds de ontdekking van het medium maken schilders films, en vond er wederzijdse beïnvloeding plaats. Fritz Lang studeerde aan de kunstacademie in Parijs. De Italiaanse meesters Fellini, Antonioni en Pasolini bouwden naast hun films aan een parallel oeuvre van schilderijen en tekeningen. En schilder-filmmaker Peter Greenaway geniet bekendheid als tentoonstellingmaker van ‘walk-in’ filmervaringen.

Sinds de opkomst van de videokunst in de jaren zestig zijn de grenzen tussen de verschillende kunstdisciplines steeds verder vervaagd. De kunstfilms van Andy Warhol laten zich bekijken als bewegende schilderijen.

Kunstenaars wisselen steeds makkelijker van discipline: ze willen spelen met tijd, duur, beweging en ruimte, of willen nu juist eens een verhaal vertellen.

De succesvolle speelfilmdebuten van regisseurs die voordien furore maakten in de kunstwereld, zoals Julian Schnabel (Before Night Falls en The Diving Bell and the Butterfly) en Steve McQueen (Hunger) passen in die traditie. Op dat gebied staat ons nog meer te wachten: eind januari zullen tijdens het IFFR bijvoorbeeld ook Pepperminta, het speelfilmdebuut van de Zwitserse videokunstenares Pipilotti Rist en Let Each One Go Where He May van Amerikaan Ben Russell in première gaan.

De interesse van kunstmusea voor film toont aan dat film als kunstvorm weer serieus wordt genomen.

Maar filmmakers hebben ook zo hun zorgen bij de museale presentatie van hun werk. Film is een door tijd bepaalde kunstvorm, waarbij de kijkervaring een door de maker bepaalde duur heeft. Het vertonen van films in tentoonstellingsruimten waar de toeschouwer naar believen in en uit kan lopen, zou de geconcentreerde kijkervaring bedreigen.

Om die reden richtte Steve McQueen tijdens de Biënnale van Venetië afgelopen zomer in het Britse paviljoen een filmzaal in, met vaste aanvangstijden voor zijn film Giardini.

Daar was het alsof de bezoekers gewoon weer naar de bioscoop gingen – met aan de ingang dan een portier, die vermanend zei dat je niet voor het eind van de voorstelling mocht weglopen.