Wonderkind, zorgenkind

Ooit was het kind zo vrij dat het de baas kon spelen. Nu zijn de rollen omgekeerd, denkt Sjoerd de Jong, en is het kind weer een aspirant-volwassene, die tot elke prijs beschermd moet worden. ‘Bureau Jeugdzorg, kom er maar in.’

Eerst een paar flarden uit 1968, en de jaren daarna, het tijdperk van de veelbesproken revoltes in Parijs, Berkeley, Praag en andere steden. Het waren de dagen dat studenten de barricades beklommen, volwassenen boven de dertig volgens de geldende wijsheid van de dag niet konden worden vertrouwd en het kind, ook wel meer in het algemeen de ‘jongere’, als symbool van puurheid de samenleving begon te beheersen.

David Crosby, de psychedelische druipsnor uit de Amerikaanse ‘supergroep’ Crosby, Stills, Nash and Young, babbelde er bijvoorbeeld in kenmerkende hippiespeak lustig op los over de deugden van het kind. In een film van zijn Canadese bandgenoot, de cholerische bard Neil Young, sprak ‘The Croz’ met een brede, gedrogeerde glimlach woorden van de volgende strekking: „Als je een kind laat kiezen tussen een grijze man die handelt in doem, dood, wanhoop en degeneratie, en een meisje dat halfnaakt en high door een bloemenveld loopt, in het zonlicht, nou, dan zal dat kind heus niet de verkeerde keus maken.” Het kind zou, uiteraard, het leven (de natuur, het zonlicht) kiezen en niet de dood (het militair-industriële complex, de consumptiemaatschappij, of gewoon het Systeem).

Neil Young bezong het kind op zijn beurt in het mierzoete lied I Am A Child, met de onvergetelijke frasen: ‘I am a child/ I’ll last a while/ You can’t conceive/ of the pleasure in my smile’. Probeer die regels eens in het Nederlands hardop te lezen en je gezicht in de plooi te houden.

Op de Grote Avond van mijn middelbare school werd in 1978 door een soortgelijke singer-songwriter een lied uitgevoerd waaruit ik me alleen de regel ‘En het kind, dat wilde spelen’ herinner. De werkelijkheid achter de lyriek volgde later op de avond in het afgetrapte jeugdhonk Eksit, waar het 13-jarige zusje van een vriendin, punky en weggelopen van huis, zich in de troostende armen stortte van de kindervriend Herman Brood.

Dit was het tijdperk waarin ‘het kind’ van een soort mini-volwassene werd omgetoverd in een sacrosanct personage, een voorbeeld voor ons allen want reeds verlicht in zijn natuurlijke staat. Het kind stond in de Neoromantiek van de sixties voor spontaniteit, creativiteit en alles wat er maar volgens de hippie-ideologie aan moois opborrelde in de rechterhersenhelft.

En dat werd niet alleen geloofd op Woodstock. Het waren ook de jaren waarin serieuze pedagogen, psychologen, filosofen en economen grote hoogten bereikten met game theory, speltheoretische beschouwingen over het menselijk handelen, in plaats van allerlei gewichtige en al te serieuze marxistische analyses van historische ‘wetten’. De mens moest vooral vrolijk zijn en spelen, zoveel maakte de tijdgeest alles bij elkaar wel duidelijk. Zijn achternaam was niet voor niets Ludens.

Die ludieke gekkigheid verdween gelukkig weer geleidelijk, maar wat zich in het ik-tijdperk wel min of meer permanent aandiende was het nieuwe primaat van het kind, danwel de jeugd. De bevelshuishouding die het gezin vroeger was, en waarin vader alles voor het zeggen had, veranderde in de woorden van socioloog Abram de Swaan in een ‘onderhandelingshuishouding’, waarin tussen mondige partijen van wieg tot schommelstoel over van alles en nog wat werd gesproken en gemarchandeerd. Soms leek dat te escaleren naar een omgekeerde bevelshuishouding: na de ouderwetse vader, met een kort intermezzo langs moeder, regeerde nu het kind.

Dat kind leek een kunstwerk te moeten worden, zeker naarmate het met de afvlakkende geboortencurve schaarser begon te worden. Een volmaakt gelukkig en geheel ontplooid persoon, die álles moest kunnen, krijgen, doen en ambiëren. Voor het kind leidde dat ook tot meer druk en dwang, zoals lezers van deze krant vorige week duidelijk maakten met hun stukken in de bijlage Opinie & Debat: het kind dat alles kon en mocht, móést ook van alles, van de hoogste Citoscore binnenhalen tot piano leren spelen op het niveau van een mini-Mozart.

Toch liet het cohort ouders dat zelf het forever young hoog in het vaandel had staan, zijn kroost volgens onderzoekers zoveel ruimte dat er inmiddels een ‘grenzeloze generatie’ is opgegroeid, zo concludeerde afgelopen maand het bureau Motivaction, op basis van een kwart eeuw ‘mentaliteitsonderzoek’. De jeugd van 15 tot 22 jaar was volgens dat rapport ondanks alle verplichtingen overwegend hedonistisch, narcistisch, verslaafd aan shoppen en uiterlijk vertoon. Gewend álles te krijgen wat zijn hartje begeert, en al in de crèche gedrild in het uiten van meningen en het dicteren van verlangens. Helemaal onbevooroordeeld leek dat onderzoek overigens niet; het maakte de indruk dat de rapporteurs, zelf ook alweer ruim in de veertig, het vooral jammer vonden dat niet meer elke kinderkruistocht naar Ché of Bono leidt. Niettemin, het rapport bevestigde het idee dat het bevrijde kind nodig weer eens grenzen moest leren kennen, door anderen gesteld.

We schakelen over naar 2009: Bureau Jeugdzorg, kom er maar in. Van spelplezier is veertig jaar na die ludieke lofzang van David Crosby op het ‘natuurlijke kind’ niet bijster veel meer te merken in de nationale omgang met minderjarigen. Ook niet van het vertrouwen dat het allemaal wel goed komt als we de teugels maar laten vieren. Integendeel. Eerder heerst er een constante, nauwelijks ingehouden morele paniek op het kindertoneel. 2009 was, op een bizarre manier, het Jaar van het bedreigde Kind.

Het beeld van het kind als de hypergetalenteerde, verwende bevelvoerder in het moderne huishouden is bezweken onder druk van de hernieuwde behoefte aan grenzen, discipline, regelmaat, controle en bescherming. Het wonderkind is een zorgenkind geworden. Dat blijkt al uit een selectie van de minderjarige kwesties die het nationale gemoed het afgelopen jaar bezighielden: baby Hendrikus, het zeilmeisje Laura, het slachtoffertje Dirk, Benno de badmeester.

Het spits werd direct na de jaarwisseling afgebeten door de arme baby Hendrikus, in feite een overblijvertje van 2008, toen hij op last van Bureau Jeugdzorg was weggehaald bij zijn zwakbegaafde ouders. Er volgde maandenlang touwtrekken tussen instanties, ouders en zaakwaarnemers, in het volle licht van de publiciteit en begeleid door bezorgde briefschrijvers. „Stel dat Hendrikus normaal begaafd is, hoe kan hij dan een voorbeeld nemen aan zijn ouders?” schreef een lezeres deze krant. „Het zijn ongetwijfeld lieve mensen, maar wat kunnen zij bijdragen aan zijn intellectuele ontwikkeling?”

De krantenkoppen volgden elkaar in mitrailleurtempo op: ‘Baby Hendrikus nog bij pleeggezin’, ‘Baby Hendrikus mag niet naar huis’, Baby Hendrikus niet terug naar ouders’, ‘Baby Hendrikus langer uit huis’, tot de zwaarbevochten omwenteling kwam (‘Baby Hendrikus mag naar zijn zwakzinnige ouders’, ‘Baby Hendrikus mag bij zijn ouders blijven’), en toen, eindelijk, de langverwachte catharsis: ‘Baby Hendrikus mag thuis wonen’.

En na de baby kwam het meisje. Eind augustus daverde het nieuws over Laura Dekker (13) door de kolommen en over de beeldbuis. De nautische ambities van dit ‘zeilmeisje’, al dan niet ‘beschadigd’ in haar ontwikkeling, was zelfs voor een samenleving die een premie zet op persoonlijk initiatief een tikje te veel van het goede – zoals de man op de Titanic zei die om een ijsblokje vroeg. Heel het land verlustigde zich in bespiegelingen over de meisjesziel, de gevaren van het zeezeilen, paalsteken en platte knopen, het ego van haar vader.

Opvallend in die fascinatie was dat het kind zelf eigenlijk nauwelijks een kinderlijke indruk maakte, behalve in haar overmoed: stuurs, ernstig, de ogen gefixeerd op een perfect punt aan de horizon: het Guinness Book of Records. Soms leek ze wel het spiegelbeeld van het immer vrolijke grote kind Arend Jan Boekestijn, het Kamerlid dat afgelopen jaar zwaar werd gestraft voor zijn onceremoniële loslippigheid.

Intussen kwam Benno L. langs, zwemleraar te Den Bosch. Deze 59-jarige veteraan van kinderzwembaden bleek in juni te worden verdacht van ontucht met tientallen leerlingen, die hij volgens de politie ook had vastgelegd op ‘tienduizenden’ foto’s. Er volgden grootscheepse informatiebijeenkomsten met ruim driehonderd ouders, interviews met een advocaat die vond dat justitie ‘overdreef’, en pijnlijke gesprekken met moeders in de actualiteitenrubrieken. Netwerk reisde zelfs af naar Afrika, voor een reportage over het verleden van de zwemleraar. Weliswaar leverde dat niet meer op dan een met dreigende muziek omklede uitzending vol angstige vermoedens, maar het was toch maar weer een bijdrage.

En toen was er het verbijsterende bericht over de arme Dirk, ‘doodgeknuppeld’, zoals de Telegraaf het trefzeker noemde, in het dorp Urk. De gewelddadige dood van deze 14-jarige jongen, vermoedelijk door toedoen van leeftijdgenoten, vestigde de aandacht op een schrikbarend probleem dat in het gras van Woodstock was blijven liggen: geweld van kinderen onderling. Ook de dood van ‘de jongen in de container’, de dove Tano Jansen (16), was daar een gruwelijk voorbeeld van.

De afrekening met generatie Ludens beleefde haarmeest markante moment toen regisseur Roman Polanski, een icoon van het Hollywood van de jaren zestig, onverwachts in Zwitserland werd aangehouden voor escapades met een minderjarig Amerikaans meisje, ruim dertig jaar geleden. Conservatieve Amerikaanse kranten als The Wall Street Journal kraaiden victorie, alsof nu eindelijk de rekening met dat perfide decennium werd vereffend; verdedigers van het toenmalige libertijnse levensgevoel (althans voor de uitverkorenen) schoten toe om de filmer te verdedigen als een slachtoffer van de nieuwe, benepen en wraakzuchtige tijdgeest.

Maar benepen is nauwelijks een toepasselijk woord voor het hedendaagse Nederland, dat ondanks het geprangde nationale gemoed anno 2009 nog steeds een fanatiek partyland is, waar een stad als Rotterdam jaarlijks 1.700 evenementen telt, goddank niet allemaal van het kaliber Sunset Grooves. Fun is nog altijd een must, om het eigentijds te zeggen.

Toch is er wel degelijk iets veranderd. Niet alleen in de bankwereld, ook in die van het kind neemt het toezicht hand over hand toe. Laura mag nog zo graag willen zeilen, zoals we elk kind zijn droom gunnen, het gaat niet door als de rechter het geen goed idee vindt. Het lot van baby Hendrikus lag maandenlang in handen van Bureau Jeugdzorg. Polanski moet zich, waarschijnlijk, dertig jaar na zijn misstap met een puberend meisje alsnog verantwoorden voor de rechter. Net als zwemleraar Benno.

Dat laatste is zeker terecht. Maar de nationale ophef erover is ook een uiting van een omslag in het moderne levensgevoel omtrent kinderen. Stond het kind vroeger voor een soort nobele wilde zonder snorharen, behept met een diepe wijsheid waar volwassenen nog veel van konden leren als ze hun ‘blokkades’ maar uit de weg ruimden, tegenwoordig zijn de rollen omgekeerd: het kind is weer de aspirant-volwassene, een affectieve investering die beschermd moet worden tegen inbreuken van de boze buitenwereld.

Op zichzelf kan dat natuurlijk winst zijn. Het al te vrolijke primitivisme van de jaren van vrije opvoeding en pedagogisch laisser faire had zijn grenzen in de moderne samenleving allang bereikt. Het is inmiddels een huis-tuin-en-keukenwaarheid: de ideologie van het do your thing liep niet alleen maar uit op knuffelige houseparty’s, maar ook in een treurige promenade van loze praatjes, opgelegde dwang tot zelfontplooiing, ‘zinloos’ uitgaansgeweld en ingetrapte bushokjes.

Maar de pendule sloeg het afgelopen jaar wel ver door naar de andere kant. De permanente ophef over pedofilie is daar misschien het beste en meest zorgwekkende voorbeeld van. De gemeenten Eindhoven en Utrechtse Heuvelrug legden een gebiedsverbod op aan dezelfde dakloze pedoseksueel, die vervolgens tot twee maal toe zijn gelijk haalde bij de rechter. Een ‘pedojaagster’ linkte op haar site stopkindersex.com naar het Amerikaanse dutchpredators.org, waarop Nederlandse (vermeende) pedofielen staan geregistreerd, tot de rechter ook hier ingreep.

Folderacties in het oosten des lands waarschuwden burgers tegen veroordeelde pedoseksuelen in de regio. Kortom, pedofilie is voor seculier Nederland kennelijk geworden wat homoseksualiteit is voor orthodoxe moslims: een freudiaans schrikbeeld van duistere driften en sociale desintegratie. Het kind moet daar absoluut tegen worden beschermd, de privacy of resocialisatie van pedofielen die hun straf al hebben uitgezeten doet er niet toe, of is ten minste van zeer ondergeschikt belang. Pedofielen hebben toch ‘levenslang’, net als de slachtoffers.

Terwijl de kinderwereld dus nog niet zo lang geleden een projectiescherm was voor de lichtbeelden die de jarenzestiggeneratie in zijn hoofd had, is het nu weer het slagveld geworden van volwassen kopzorgen. Werden we destijds opgeroepen ‘het kind in onszelf’ te ontdekken – een speurtocht waarmee naar verluidt vooral volwassen Amerikanen aan de Westkust zich nog bezig houden – nu gaat het er toch eerder om het monster in onszelf te leren beheersen. Was de vijand van het kind eerst anoniem (het onderwijs, de psychiatrie, de burgerlijke pers, de maatschappij, het Systeem), nu heeft hij een gezicht: het agressieve schoolvriendje, de aardige zwemleraar, de merkwaardige nieuwe buurman.

Wordt ‘het kind’ dan nu niet meer bekeken in de verleidelijke maar troebele spiegel van de Romantiek, zoals in de jaren zestig, maar door het zuivere prisma van Verlichting en rede? Nee, daar lijkt het ook niet op. Eerder zijn we nog steeds in de greep van de Romantiek – alleen is het nu de zwarte variant.

Tegenwoordige tijd