We denken dat het overwaait

Hoe voelt de Londense City, een jaar nadat de crisis er toesloeg? Met de extravagantie lijkt het gedaan en wie niet is ontslagen moet harder werken, noteert Philip de Witt Wijnen. Toch rekent menig bankier weer op een bonus van vijf of meer cijfers. „And the band played on.”

Elke ochtend om zes uur, kwart over zes slaat Daniel de voordeur dicht van zijn appartement aan Sloane Avenue. Drie minuutjes moet hij lopen naar metrostation South Kensington. Daar pakt hij de Circle Line. Tussen zijn huis en de metro telt de 28-jarige bankier passerende taxi’s, de volle en de lege. Dat doet Daniel altijd. Het gaat hem om de lege. Normaal zijn dat er negen, van de ruim twintig die hij dagelijks voorbij ziet schieten. Eind vorig jaar en begin dit jaar waren dat er veel meer. Veertien, vijftien, zestien lege taxi’s zag hij op zijn route naar het metrostation. Dat was een toename van 55 tot 78 procent. Daniel is beleggingsadviseur bij Citigroup in Canary Wharf, de nieuwe financiële zakenwijk van Londen. Hij kan goed tellen.

Na de zomervakantie raakten ze weer voller op dat vroege uur in Kensington. Nu ziet hij dagelijks weer negen lege taxi’s langsrijden, een enkele keer tien. Volgens Daniel is Londen weer overeind gekrabbeld.

Brian ís taxichauffeur, al ruim dertig jaar. Hij is 65 jaar oud en bestuurt een van de twintigduizend black cabs. Brian beaamt de stand van zijn branche als graadmeter van de economie. Eind vorig jaar, na de val van Lehman Brothers in september, heeft hij het een tijdje heel erg rustig gehad. „Maar lang niet zo erg als acht jaar geleden. De crisis van toen hakte er bij ons veel dieper in. We hadden soms dagen geen enkele rit.”

Het einde van de internetbubbel gevolgd door de terreuraanslagen in New York, leidden in 2001 tot nog veel grotere massaontslagen in het financiële centrum van Londen dan nu. Deze crisis, zegt Brian, is voor hem echt rustiger. „Misschien hadden we begin dit jaar dertig tot veertig procent minder klanten dan gebruikelijk.” Hij heeft het nu weer drukker.

In september 2008 raakte Londen, de financiële hoofdstad van de wereld, in een shock. In het weekend van 13 en 14 september 2008 plofte de Amerikaanse bankgigant Lehman Brothers. Waar andere grote investment banks door de overheid werden opgelapt (Goldman Sachs) of gedwongen werden overgenomen (Merrill Lynch), lieten de autoriteiten Lehman vallen. Zulke banken hebben hun basis in New York, maar zijn met tienduizenden werknemers goed vertegenwoordigd in Londen, met name in de wijk Canary Wharf even ten oosten van de Londense City, het oude financiële district rond de Bank of England.

Opeens liepen ze daar over straat: ontslagen Lehman-werknemers, met in hun handen een verhuisdoos. In de financiële sector van Londen werd tot voor kort eenvijfde van het Britse bruto nationaal product verdiend. In de Lehman-toren verloren vijfduizend mensen op maandag 15 september 2008 hun baan. Taxiteller Daniel was een van hen. De Japanse bank Nomura nam de meeste activiteiten over, maar hield uiteindelijk naar schatting slechts tweeduizend Lehman-banen in stand.

Andere door de kredietcrisis getroffen banken, beleggingsfondsen, investeringsmaatschappijen en financiële instellingen zetten het mes in het personeelsbestand – een sanering waar zij al eind 2007 mee waren begonnen. In de afgelopen twee kalenderjaren verloren een kleine 50.000 mensen in Londens financiële district hun baan, bijna 15 procent van het totaal.

Die banenreductie raakt de gezondheid van de stad, die voor een groot deel draait op mannen in krijtstreep en vrouwen in mantelpak. Een groep hoog opgeleide, hardwerkende mensen die goed verdienen en – in hun schaarse vrije tijd – dat geld ook graag spenderen. Maar hun huishoudboekjes staan onder druk. Nog los van de massaontslagen, hebben banken moeten beknibbelen op de jaarlijkse jackpot, waar de meeste mensen het voor doen: de bonus. Als er in 2008 al winst gemaakt werd, hebben banken massaal de ‘variabele beloning’ bevroren. Onder druk van overheden, die veelal hebben moeten ingrijpen om meer Lehman- debacles te voorkomen. Of onder druk van de publieke opinie.

Owen Rothwell verkoopt Ferrari’s, Lamborghini’s, Rolls-Royces en andere auto’s die slechts voor een kleine groep superrijken betaalbaar zijn. Owen (38) werkt voor de bekendste dealer van dit soort ‘luxury cars’, het (niet naar hem vernoemde) concern H.R. Owen. Met vestigingen in de duurdere wijken van Londen, als Chelsea en Mayfair. Owen Rothwell zegt dat hij geen last heeft gehad van de financiële crisis. „De mensen die zich onze auto’s kunnen veroorloven, kunnen dat nog steeds.”

Hij jokt. Uit de halfjaarcijfers van het beursgenoteerde bedrijf blijkt dat de omzet in de eerste zes maanden van dit jaar met een kwart terugliep tot 62 miljoen pond. De operationele winst van van 1,7 miljoen pond smolt weg tot een verlies van 1 miljoen. „Zwaardere economische omstandigheden”, erkent president-commissaris Ramon Pajares in zijn halfjaarbericht, „hebben tot een significante verkleining van de verkoop van nieuwe auto’s geleid.”

Maar, dat moet gezegd op een willekeurige donderdagochtend in november: er ís klandizie. Een oudere man inspecteert de nieuwste Bentley – hij wil zijn oude graag inruilen. En voor het nieuwe model Maserati cabrio gaat in een uurtje wel drie keer de telefoon over. Er is veel belangstelling voor, meer dan Maserati er gaat bouwen. Dat is volgens Owen „altijd zo met dit soort modellen”.

Voor restaurant Amaya in Knightsbridge en Wild Honey in Mayfair is herstel nog niet in zicht. De klandizie in zulke exclusieve sterrententen is dermate teruggelopen dat zij tot ongebruikelijke maatregelen overgaan: via digitale mailings slingeren ze het beschikbare aantal tafels op korte termijn de wereld in en hun exquise gerechten zijn in de ramsj. L’Atelier de Joel Robuchon in Covent Garden, twee Michelinsterren, biedt een lunch en ‘pre-theatre menu’ aan voor 19 pond. Pied à Terre in Mayfair, ook twee sterren, slijt een vijfgangenmenu voor 29,50 pond. Dat zijn bistroprijzen.

De problemen van tv-kok Gordon Ramsay worden breed in de media uitgemeten sinds hij in juli bekend maakte dat zijn imperium van dertien restaurants in Londen de omzet met 90 procent heeft zien dalen.

In november kregen twee van zijn restaurants uitstel van betaling. De geplande herlancering van Pétrus is voor de zoveelste keer uitgesteld. Dat was Ramsay’s restaurant waar tijdens de internet boom van 2001 zes zakenbankiers met een rekening van 44.000 pond de avond afsloten.

Dat soort uitspattingen lijkt voorbij. Managers van internationale banken zijn zich bewust van hun kwetsbare positie in de publieke opinie. Ze zijn het er niet volledig mee eens, maar het volk ziet bankiers met hun op hebberigheid gebaseerde bonussysteem nu eenmaal als belangrijkste oorzaak van de kredietcrisis en de recessie die daar op volgde.

Op 1 april van dit jaar gingen bankiers in spijkerbroek naar het werk, omdat demonstranten tijdens de G20-topconferentie in Londen de aanval hadden aangekondigd op de mannen in een krijtstreep. Behoudens het bekogelen van het RBS-kantoor op Bishopsgate bleef het vrij rustig in de City, maar de sfeer was grimmig.

Om maar geen wrevel te wekken hebben banken hun mensen opgeroepen zich minder extravagant te gedragen, zeker nu er door sommige banken (die geen staatssteun hebben ontvangen, of die al hebben terugbetaald) weer vette bonussen in het vooruitzicht zijn gesteld.

De kerstborrels waren minder uitbundig dan voorheen en de nieuwjaarsrecepties zullen dat ook zijn. Zo absurdistisch als dat feestje van JP Morgan in september 2007 wordt het vast niet meer. Toen hield een groep van veertig investment bankers een ‘welkom-terug-barbecue’ op het dakterras van Richard Bransons nachtclub Roof Gardens. Terwijl de bankiers zich tegoed deden aan champagne, geroosterde tijgergarnalen en lamsrack, zagen zij onder hen in Kensington High Street klanten massaal in de rij staan voor de pinautomaat van Northern Rock, de eerste Britse consumentenbank die slachtoffer werd van de kredietcrisis.

Het was de eerste Britse bank run sinds 1866. „And the band played on”, grapte een van de bankiers met een verwijzing naar de Titantic. De jongens van JP Morgan evalueerden hun vakanties op Ibiza en Mauritius en schoten nog eens een flesje Dom Pérignon à 185 pond open.

Kleermaker Philip Parker merkt dat zijn vaste klandizie eveneens minder makkelijk de creditcard trekt dan voorheen. Parker (62) is managing director van Henry Poole & Co, een van de klassieke tailors op Savile Row. Niet dat zijn klanten het niet kunnen betalen – een gemiddeld maatpak kost nog altijd tussen de 3.000 en 3.500 pond; aan uitverkoop doen de klassieke tailors niet – maar men is aanzienlijk bescheidener geworden.

Parker: „Een vaste klant kwam laatst alleen voor een kop koffie binnen. Hij zei: ‘Sorry, Philip, maar mijn hoofd staat er even naar om in mijn Aston Martin te gaan rijden en een nieuw Savile Row-suit aan te meten. In deze crisistijd draag ik liever een oud jasje en rij ik in de Volkswagen van mijn vrouw.’”

Henry Poole zag in 2008 de omzet met een kwart teruglopen, maar dit jaar zijn de verkopen volgens Parker behoorlijk hersteld. Door de historisch lage waarde van het pond sterling zijn de overzeese zaken van het atelier uit 1806 juist aangetrokken. „Onze kleermakers reizen de hele wereld over, van de VS tot China.”

Winkeliers van luxe goederen mogen de gevolgen van de crisis bagatelliseren, voor bankiers op menig werkvloer hebben de ontwikkelingen er heus ingehakt. De mensen die hun baan verloren, hebben van de ene dag op de andere dag veel moeten inleveren. Hun levensstijl, met dure huizen, regelmatig restaurantbezoek en kostbare privéscholen voor de kinderen, zijn onbetaalbaar als de riante inkomens stokken. Veel buitenlandse bankiers – Amerikanen, Japanners, Duitsers, Zweden en ook Nederlanders – zijn vertrokken onder het mom van ‘mijn vrouw wilde haar familie vaker zien’ of ‘de oudste gaat naar de middelbare school’. Vergeet het maar: de meeste remigraties zijn gedwongen, omdat na ontslag de rekening niet meer betaald kan worden.

Wie niet ontslagen is heeft andere problemen. De werkdruk is aanzienlijk opgeschroefd: de winstgevendheid van banken, in 2008 volledig weggeslagen, moet in rap tempo hersteld. Marktaandelen moeten veroverd op plekken waar zwakke banken terrein hebben verloren. Doelstellingen zijn niet zozeer lastiger te behalen omdat ze een stuk hoger zijn komen te liggen, maar omdat het werk met een uitgedunde afdeling aanzienlijk zwaarder is geworden. Daarbij kent elke bankier in Londen de keerzijde van de aanlokkelijke betalingen: het ontslagmes hangt altijd boven de dealingroom.

Stress, onzekerheid en uitputting bezorgen psychische klinieken overuren. De website hereisthecity.com waarschuwde al in september 2008 voor burn-out en depressie. En erger. „Omdat hun eigenwaarde zo onlosmakelijk verbonden is met succes en financiële beloning, zijn sommige bankiers geneigd zichzelf van het leven te beroven.”

Die maand was de eerste zelfmoord gerapporteerd die gelinkt werd aan het uitbreken van de financiële crisis. Een 47-jarige hedgefondsdirecteur was voor een sneltrein gesprongen. Hereisthecity.com adviseerde bij erkende symptomen van depressie (laag zelfrespect, verandering van gedrag, veel praten over de dood) de baas te waarschuwen of medische hulp te zoeken.

Voor sommigen kwam die waarschuwing te laat. Eind december 2008 hing een hooggeplaatste manager van HSBC zich op in een vijfsterrenhotel. Eind juni schoot de Nederlander Huibert Boumeester zichzelf door het hoofd in een bos bij Londen. Hij had met de verkoop van ABN Amro miljoenen verdiend, maar was zijn baan in de raad van bestuur kwijt geraakt. Begin juli sprong de jonge aandelenhandelaar Anjool Malde van Deutsche Bank van het dak van het exquise restaurant Coq d’Argent, met een glas champagne nog in z’n hand. Hij was 24 jaar en had net voor 300.000 pond een appartement aan de Spaanse Costa del Sol gekocht.

Het zijn tragische uitzonderingen. De meeste bankiers in Londen, althans zij die hun baan hebben behouden, zijn tegenover de buitenwereld onveranderd optimistisch. „De crisis heeft hier maar kort geduurd”, zegt er een. „We doen goede zaken en verdienen weer veel geld.”

Sommigen zien dat anders: bankiers die, na een jaartje zónder, dit jaar gewoon weer een vette bonus tegemoet kunnen zien, hebben hun oude arrogantie terug. „Ik zie dat ze weer praatjes krijgen”, verzucht een advocaat uit de oude City die veel met hen werkt. „Alsof ze niets hebben geleerd.”

Ook een headhunter schudt het hoofd. „Nu de crisis langzaam overwaait en banken de staatshulp kunnen terugbetalen, denken ze weer aanspraak te kunnen maken op de inkomensniveaus van 2007. Dat is absurd, want dat was historisch gezien een uitschieter.”

Hoewel de terugkeer van het bonusstelsel wordt verfoeid in de publieke opinie en door de beleidsmakers in Westminster rekent menig bankier in februari, als de bonussen over 2009 worden uitbetaald, weer op een bedrag van vijf of zes cijfers. Voor banken die dat echt niet kunnen maken, zoals semi-staatsbank RBS, worden creatieve oplossingen bedacht. De vaste salarissen gaan omhoog – soms dubbel, soms met terugwerkende kracht.

Op microniveau kent menig bankier de trucjes om de oude, comfortabele levensstijl van voor de crisis niet helemaal te hoeven missen. Een bankier weet hoe simpel het is om de opgelegde bezuiniging op lunchbudgetten, van 125 pond naar 70 pond per couvert, te omzeilen: hij zet gewoon een extra naam op de declaratiebon. „Zo kunnen we toch weer in onze favoriete restaurants aanschuiven.”

Crisistijd