Tweesprong

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen".

The Last Judgement, hell, a couple in the flames, 15th century fresco, "the poor man's Bible", Church of the Trinity, Piedmont -- CAGNOLA, Francesco & Sperindio : 16th century : Italian, attributed Photo Credit: [ The Art Archive / Gianni Dagli Orti ] The Picture Desk

‘Wil je me vasthouden?” vroeg Jolanda. Ik zat weer bij haar achterop de fiets en sloeg mijn armen om haar middel. We hadden landgoed Beeckesteijn verlaten en waren op weg naar IJmuiden. Jolanda trapte stevig door. Ik wist niet wat er zou gaan volgen als we in IJmuiden waren. Maar voor het moment maakte dat weinig uit. Ze was dichtbij me.

We fietsten IJmuiden binnen. Ik keek langs Jolanda heen en zag in de verte de tweesprong: de ene weg leidde naar mijn huis en de andere naar Jolanda’s huis. „Stop hier maar,” zei ik toen we bij de splitsing aankwamen. „Ik loop wel naar huis.” Jolanda zweeg. Ze remde niet af maar voerde de snelheid juist op. We maakten een scherpe bocht naar rechts. Ik moest haar middel nog krachtiger omklemmen om niet van de fiets af te stuiteren. In volle vaart vlogen we het oude deel van IJmuiden in en sjeesden over de klinkers in kleine straten.

Voor haar deur ging Jolanda rechtop op de terugtraprem staan. „Zo!” zei Jolanda met een diepe zucht. „Je hebt vast dorst gekregen van de rit. Ga je mee naar binnen om wat te drinken?”

Ik keek naar het huis. „De laatste keer dat ik hier stond heb ik de hele straat bij elkaar geschreeuwd,” zei ik tegen Jolanda. „Ik denk niet dat je moeder dat vergeten is.”

„Ah joh, kom gewoon mee naar binnen, maak je daar maar niet druk om.”

Met mijn blik op de punten van mijn schoenen gericht liep ik de huiskamer binnen. Het schaamtegevoel voor mijn misdragingen tegenover mevrouw Tielemans woog zwaar op mijn hoofd en deed mijn nek diep buigen.

„Driss?” hoorde ik mevrouw Tielemans zeggen. „Driss! Ik wist het wel.” Ze trok me naar zich toe en bedolf mijn wangen onder de zoenen. „Oh, wat hebben we je gemist, jongen.” Ze drukte me in de bank en zei: „Kom, ga zitten. Ik ga thee zetten.”

Op zijn vaste plek, een versleten eenzits-chesterfield, zat meneer Tielemans. „Is het je eindelijk gelukt om binnen te komen?” vroeg meneer Tielemans.

„Wat, meneer?”

„Of je worst lust!”

Ik kromp ineen bij zijn strenge gezichtsuitdrukking. Hij keek mij nog even geringschattend aan en toen brak er een glimlach door zijn harde gezicht. „Je kneep ‘m even, he.” Hij pakte zijn avondbiertje van de salontafel, hief het naar me op en zei: „Goed om je te zien, Dries.”

Mevrouw Tielemans kwam binnen met een pot thee en een schaal biscuitjes die ze voor ons neerzette. Ze wees naar mij en Jolanda en zei: „Zijn jullie weer samen?”

Geen van ons durfde te antwoorden.

„Het is ook niet makkelijk.” zei mevrouw Tielemans ernstig. „Bij Henk en ik ging het ook niet van een leien dakje.”

„Zeg dat wel.” mompelde meneer Tielemans.

“Een katholiek meisje met een protestantse jongen – dat was ongehoord in die tijd. Iedereen bemoeide zich er tegen aan: de pastoor, de dominee, de families, de buren en zelfs de slager en de kaasboer vonden er wat van. ‘Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen,’ zeiden ze tegen ons. Henk probeerden ze wijs te maken dat wij katholieken zelfs onze moeders inruilden voor pracht en praal. En tegen mij zeiden ze dat ik honger zou lijden bij die gierige protestanten.”

„Maar we hebben wel doorgezet,” zei meneer Tielemans.

„En het is ons gelukt.” vulde mevrouw Tielemans hem aan. „Het heeft lang geduurd en we maakten veel ruzie. Met elkaar en met onze families. Maar duivel of geen duivel: we zouden en moesten op één kussen slapen.”

Ik keek naar Jolanda en dacht na over de duivel die een wig tussen ons in probeerde te drijven. Er bestaat een spreuk in het Arabisch waarmee je de duivel kunt verjagen. “Ahudu billah miena shajtan arajiem.” Ik zou die spreuk in het vervolg vaker gebruiken en ook aan Jolanda leren.