Toen gewone sterren nog bijzonder waren

Had ik me verheugd op anderhalf uur televisiegeschiedenis ter gelegenheid van de 80ste verjaardag van Mies Bouwman, bleek de hommage te bestaan uit een huldiging in theater in Hoorn vol Bekende Nederlanders, die allemaal iets mochten zeggen of zingen. Pas helemaal aan het eind sprak het voor de vorm tegenstribbelende feestvarken een paar woorden als dank.

Er waren in Mies 80 (AVRO) wel enkele flarden te zien uit oude programma’s, maar die maakten een nogal willekeurige indruk. Geen woord over haar ontdekking door pionier Erik de Vries, nog voor de eerste officiële uitzendingen in 1951, over haar aartsconcurrent Willem Duys of geestelijk erfgenaam Sonja Barend, laat staan ook maar een poging tot analyse van wat haar zo uniek maakte.

Mies Bouwman was het eerste moderne televisiegezicht, omdat ze niet deftig deed, zoals gebruikelijk in het verzuilde omroepstelsel. Gewoonheid was toen nog heel bijzonder.

Nu is het de dwingende standaard geworden voor televisiesterren, die elke gelegenheid benutten om te benadrukken dat ze net zulke gewone stervelingen zijn als hun kijkers.

Het is ook de mantra van het door Hans Teeuwen gespeelde personage in het televisiedrama Gewoon Hans (VPRO). Dat personage heet ‘Hans Teeuwen’, maar gedraagt zich in het geheel niet als een rebel. Integendeel, hij praat lijzig en omfloerst, kleedt zich als een countryzanger met Kerstmis en woont in een romantisch landhuis waar overal kaarsen branden.

De door Teeuwens collega-cabaretier en goede vriend Diederik Ebbinge (Vliegende Panters) geschreven en geregisseerde televisiefilm van vijftig minuten vormt een hilarische reflectie op de absurditeit van roem in Nederland.

De eigenlijke hoofdpersoon is een verlegen tienermeisje (Jamie Grant) dat opgroeit in een rijtjeshuis in de provincie, van boven tot onder volgestouwd met parafernalia van Hans Teeuwen. Haar morsige vader (Ton Kas) is namelijk een idolate fan, die alle nummers van de cabaretier uit het hoofd kent. Het kind wordt er een beetje angstig van.

Daar moet een psychiater aan te pas komen en die suggereert een ontmoeting met de mens achter de artiest. Daar blijkt slechts loze ijdelheid te huizen, en via allerlei laffe praatjes over hoe gewoon Hans gebleven is, belandt ze bij hem in bed, met desastreuze gevolgen voor een van beiden.

Ebbinge is een waar filmtalent uit onverwachte hoek. Zijn film doet soms denken aan Being John Malkovich of het vroege werk van Alex van Warmerdam, maar is vooral met niets te vergelijken. Van Ebbinge mag wat verwacht worden, hopelijk een speelfilm.