Poppenkast tussen de asperges

In mei was er een grote inval op een aspergebedrijf in Someren. Er zouden Roemenen zijn uitgebuit. Hoe verging het eigenaar José Janssen? „Van binnen kookte ik.”

Toeval bestaat niet. We zitten nog maar vijf minuten aan de keukentafel van Bart Verhees in Someren, als een rechercheur van politie aanklopt en de lokale boerenvoorman vraagt een aantal papieren te ondertekenen. Papieren? „Ja dat is een getuigeverklaring die ik laatst heb afgelegd”, zegt Verhees, varkensboer en voorzitter van de plaatselijke afdeling van de Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (ZLTO).

De politie heeft hem benaderd in het kader van een onderzoek naar José Janssen, de eigenaar van een aspergebedrijf in het Oost-Brabantse Someren die in mei dit jaar half Nederland over zich heen kreeg. Zij zou enkele tientallen Roemenen in erbarmelijke omstandigheden hebben gehuisvest en laten werken op haar bedrijf. De omstandigheden deden de burgemeester van Someren, „meer denken aan een vorm van slavernij dan aan die van een modern bedrijf”, zei hij destijds.

Van welke strafbare feiten de aspergeteler wordt verdacht, houdt justitie nog even geheim. Verhees: „Ik zou het verder ook niet weten. Wat ik tegen de politie heb gezegd, en wat ik ook eerder in de media heb gezegd, is dat José Janssen hier bekendstaat als een slechte werkgever. Ik denk niet dat zij een gemene bedrieger is. Zij is eerder iemand die als een vechter in het leven staat, en die zich tegen de regels verzet omdat zij denkt dat ze anders niet kan overleven. Maar ja, we concurreren allemaal in dezelfde markt en dan moet je je wel aan de regels houden.”

Janssen wil ondanks de negatieve publiciteit ook komend jaar weer bijna honderd seizoensarbeiders inzetten. „Ik moet wel”, vertelt ze. „Ik heb voor vele tonnen geïnvesteerd en ik zit vast aan de leningen.” Ze staat in haar voortuin om, in de kou, uitgebreid te praten over wat haar het afgelopen jaar is overkomen. Eigenlijk wil ze liever zwijgen. „Want als ik tegen schenen schop, dan maken ze mij het leven hier helemaal onmogelijk.” ‘Ze’ zijn de gemeente Someren. De Arbeidsinspectie. En het UWV, dat de vraag om vergunningen voor Roemenen komend voorjaar moet beoordelen. „Die instanties werken allemaal samen om mij het leven onmogelijk te maken. Het is een dictatuur.” Blokken steen liggen naast de voordeur. Arbeiders werken aan het brandveilig maken van onderkomens voor de arbeiders. „Kost me twee ton.” De klus moet vóór februari klaar zijn, zo eist Someren.

Janssen heeft nog altijd „heel veel woede” in zich. Ze wil graag haar gelijk bewijzen, want de werkelijkheid is „heel anders” dan de „poppenkast” die op 15 mei bij haar bedrijf werd opgevoerd. Tien jaar lang gedoogde de gemeente dat zij seizoensarbeiders huisvestte, ook al voorzag het bestemmingsplan daar niet in. Ooit heeft ze zelf de gemeente en de brandweer gevraagd of haar pension aan de eisen voldeed. „Het leek mij verschrikkelijk als zoiets als in Volendam bij mij zou gebeuren.” Op last van de brandweer liet zij „kleine aanpassingen” verrichten: een leuning naast een trap, een veer op een deur. Vervolgens ging het gedogen van harte door. Enkele jaren geleden werd haar bedrijf als „voorbeeldbedrijf” aangemerkt bij het huisvesten van seizoenswerkers. Topambtenaren van Landbouw en de provincie én burgemeester Alfred Veltman (PvdA) van Someren kwamen op bezoek. „Dat verliep heel goed. Ik verwachtte dat ik eindelijk definitief toestemming zou krijgen.”

Het tegendeel gebeurde. De verstandhouding bekoelde toen Janssen vorig jaar haar pension flink bleek te hebben uitgebreid. En culmineerde in de ontruiming, met alle publiciteit van dien. Een groep Roemenen werd in gemeentelijke tenten ondergebracht en vertrok de volgende ochtend per bus naar het vaderland. Janssen was tijdens de ontruiming op een aspergebed gaan zitten. „Ik heb expres niets gezegd, maar van binnen kookte ik.”

Zij veronderstelt dat de gemeente een ommezwaai heeft gemaakt op aandringen van de Arbeidsinspectie. Die had Janssen immers al vijf keer wegens illegale arbeid beboet en die boetes waren nog altijd niet betaald. „De Arbeidsinspectie wilde mij weg hebben.” Dat de gemeente zo gemakkelijk meewerkte, kan volgens Janssen maar één oorzaak hebben. „Het fietspad.” Someren wil grond van haar kopen om daar een deel van een fietspad aan te leggen. Janssen stribbelt tegen. „De gemeente hoopte dat door dat gedoe met de Arbeidsinspectie mijn bedrijf kapot zou gaan, en ze op die manier gemakkelijk aan de grond voor het fietspad kon komen.”

De verhalen over uitbuiting „slaan nergens op”, zegt Janssen. Ze is meermaals beboet wegens het inzetten van illegale arbeiders. Maar ze had geen andere keus. „Ik kreeg de tewerkstellingsvergunning steeds te laat. Moet ik die mensen dan niet laten werken? De asperges moeten toch van het land?” Voor Polen hoeft geen vergunning te worden aangevraagd, maar die zijn niet voor seizoenswerk te porren. „Die zitten in de bouw.” De seizoenswerkers hebben het heus goed bij haar. Voor 5 euro krijgen ze drie maaltijden per dag, en voor 8 euro een slaapplaats. En allemaal krijgen ze het minimumloon. Dat een groep angstige Roemenen zeven maanden geleden schielijk per bus vertrok, is volgens Janssen te wijten aan de overmacht aan politie, inspecteurs en gemeenteambtenaren die de arbeiders natuurlijk de indruk gaven dat het op dit bedrijf niet pluis was. „Wat zou u doen als u in het buitenland ineens met zo’n inval werd geconfronteerd? Wegwezen natuurlijk.” In werkelijkheid, zegt ze, zijn Roemenen en Bulgaren blij dat ze asperges mogen steken voor het Nederlandse minimumloon. „Dat is in die landen heel veel geld hoor. Daar kopen ze auto’s en huizen van. Die mensen zijn echt niet zo zielig als wel wordt gedacht.” Janssen is in augustus naar Roemenië gegaan om de zaken met haar seizoenswerkers alsnog „goed af te wikkelen”. En om te vragen of ze weer terug wilden komen. „De helft heeft al toegezegd.”

Nu maar afwachten of de tewerkstellingsvergunningen er komen. Eenvoudig zal het niet zijn; minister Donner (Sociale Zaken, CDA) heeft na de kwestie in Someren een wetswijziging naar de Kamer gestuurd die bepaalt dat deze vergunningen kunnen worden geweigerd „bij gebleken slecht werkgeverschap” en „eerder onherroepelijk opgelegde boetes”.

Burgemeester en wethouders van Someren hebben „geen behoefte” om de kwestie „op te rakelen”, aldus hun woordvoerder.

Eerdere artikelen over deze zaak op nrc.nl/binnenland

    • Arjen Schreuder