Oudste der dagen

Ardipithecus ramidus was de allervriendelijkste van onze voorouders. Hij leefde vier miljoen jaar geleden en is pas dit jaar écht ontdekt. Is het denkbaar om een tijd waarover je zo goed als niets weet aan de praat te krijgen? Hendrik Spiering doet een poging. ‘Hallo, vrienden!’

Een Neanderthaler kan je op de koffie vragen. Grote sterke kerels en vrouwen zijn dat. Ze kunnen een beetje praten. En het belangrijkste is: Neanderthalers snappen dat ze zich in gezelschap moeten gedragen. Als echte mensen. En eten en drinken delen kan altijd, met Neanderthalers. In die vreemde sociale structuur van hen maken ze wel gekkere dingen mee dan een kort bezoekje aan een vredelievende bijna-soortgenoot.

Dat is ons recente verleden. Verder terug in de menselijke evolutie wordt een nadere kennismaking met onze verwanten snel gevaarlijk. Neem Homo erectus, die vanaf zo’n anderhalf miljoen jaar geleden leefde. Als je hem aankijkt, kijkt hij terug met de ogen van een roofdier. Zijn lichaam lijkt sprekend op het onze, maar in jou ziet hij eerder een prooi dan een mogelijke vriend. Een vleeseter is Erectus, die scherpe messen maakt van steen. En te vrezen valt dat hij goed kan gooien met die mooie grote vuistbijlen van hem. Het allergevaarlijkste is dat Erectus veel minder verstand heeft dan Neanderthalers. Hit first, ask questions later – zo’n type.

Misschien, als je eerst een paar keer in de lucht schiet, kan je toch met die Erectus praten. Van een afstandje. Met een beetje geluk zal hij dan beter kijken en toch een soort van soortgenoot in ons herkennen – ook al is zijn hoofd kleiner dan het onze. Misschien moeten we onze kleren uitdoen, voor de duidelijkheid. Korte zinnetjes zal Erectus wel kunnen zeggen en begrijpen – hopen we. Of ten minste het gebaar voor ‘hallo’?

Nog verder terug in de menselijke afstamming, dus vóór Homo erectus, is het nóg moeilijker om gezelligheid te vinden. Strijd om het bestaan overheerst het leven van die dan nog behoorlijk chimpansee-achtige voorouders van ons. Het is niet veilig in de open bossen en savannes waar ze hun kostje bijeen scharrelen. Voor je het weet heeft een leeuw je gezien, of al die andere hongerige dieren met scherpe tanden. Of er vliegt een grote arend over die je kind voor je ogen weggraait.

Deze verre voorouders zijn bange dieren die niemand vertrouwen, en zéker geen boomlange Homo sapiens als wij. Als ze ons zien, zullen ze wegschieten naar de schaarse bomen en daar blijven tot we weg zijn. En als we dichterbij komen, gooien ze met takken (meestal mis). Of ze rennen weg, met de kinderen vastgeklemd aan hun vacht. Gauw, verstoppen ergens.

Die angst en extreme voorzichtigheid is het onvermijdelijke lot van een plantenetende mensaap die rechtop is gaan lopen in het vrije veld. We hebben het over de Australopithecus, die leefde tussen vier en twee miljoen jaar geleden. De arrogante roofdiermanieren van de veel nabijere voorouder Homo erectus zijn nog ver weg.

Ach, wat veiligheid en angst aangaat waren we beter in het oerbos gebleven. Onze naaste nog levende verwanten in de natuur hebben dat beter bekeken. De chimpansee, de bonobo en de gorilla – allemaal voornamelijk planteneters – zijn altijd in de relatief veilige jungle gebleven. Ze behoren tot de grootste dieren in hun bos.

Ja, ook dáár kan je door een slang worden gebeten. Of een luipaard valt je aan. Maar als in een dicht bos een roofdier op je afschiet, hoor je hem toch eerder aankomen. En er zijn altijd bomen nabij om in weg te vluchten. Er schijnen zelfs chimpansees te zijn die het wagen om luipaardwelpen te doden en op te eten. En dan gauw de boom weer in natuurlijk. Wie is er dan eigenlijk de baas in dat bos? Voor kleinere vijanden hoef je als grote mensaap al helemaal niet bang te zijn. Een gorilla kan veel vriendelijker zijn dan een baviaan – een vrij chagrijnige aap uit het vrije veld.

Terug naar de bossen! Vandaag gaan wij nóg verder terug, naar langer geleden dan Australopithecus. Terug naar de tijd dat onze voorouders nog in echte wouden woonden – niet de eindeloze jungle van chimpansees en gorilla’s, maar toch wel redelijk dicht bos – alleen nu en dan afgewisseld met meer open bosland.

In dat bos kunnen we nog voorouders vinden met veiligheid én gezelligheid. Denken we. Want als we de moderne wetenschappers mogen geloven, is Ardipithecus ramidus – van wie pas dit jaar eindelijk het fossielenonderzoek is gepubliceerd – een van de allervriendelijkste van onze voorouders geweest.

Welkom dus in het bos van Aramis, ruim vier miljoen jaar geleden, aan het eind van de vroegste periode van de menselijke evolutie. Er zijn hier in de buurt ook grasvlaktes, verderop stromen rivieren, maar wij weten dat hier in dit bos de 120 cm lange mensaap leeft, Ardipithecus, die wij onze verre voorouder mogen noemen.

We hadden nóg verder terug kunnen gaan. Een of twee miljoen eerder, rond zes miljoen jaar geleden, woonde hier of in de buurt waarschijnlijk de laatste gemeenschappelijke voorouder van de mensen en de chimpansee. Die woonde ongetwijfeld ook in de bossen. Hoe die oerchimpmens eruit zag weet niemand zeker, maar dikke kans dat hij wel een beetje leek op Ardipithecus.

Maar deze oermens die óók de oerchimpansee was, gaan we een andere keer opzoeken. Nu gaan we naar de eerste echte mens, of wat daar voor door gaat. Daarnet hoorden we al meerkatten schreeuwen, hoog in de bomen, kleine aapjes zijn dat: Krekkoo! Krekkoo! Boem, hokkoo! Alsof de beesten elkaar voor ons waarschuwen, toen we vanuit dat stuk open grasland, met hier en daar bomen, het woud ingingen. Misschien waren ze al op hun qui-vive door het lawaai van de drie schroefhoornantilopes die eerder voor ons op de vlucht waren geslagen, het bos in. Boskoedoes zijn dat.

Zijn ook onze verre voorouders op hun hoede? We horen hen nog niet, in dit prehistorisch woud van Aramis.

Het bos is indrukwekkend, met hier en daar bomen van wel vijftig meter hoog. De meeste zijn kleiner. Op de bodem groeien gras en kleine struikjes. Het beste is om omhoog te kijken, of er Ardi-nesten in de bomen zijn. En we gaan naar kleine paadjes in het bos, met Ardi-drollen. Als die nog vochtig en zacht zijn, hebben we beet!

Nu en dan schiet er een pauw weg achter een boom. Soms zien we een stekelvarken zitten. Een groepje papegaaien kijkt ons na, hoog uit de boom. En boven het insectengesis uit klinkt één keer de brom van een boze luipaard. Uit de verte. Ook klinkt het gejank van een hyena.

We hebben geluk. Plotseling, aan de andere kant van een meer open stuk in het bos, zit een groep van tien, twintig Ardipitheci. De mannetjes liggen op de grond in de zon, die door de bladeren valt. De vrouwtjes en de kinderen hangen in de bomen, sommige kinderen ondersteboven aan één voet. Een onmenselijke voet is dat: met een grote grijpduim. Dit zijn dieren die thuis zijn in de bomen, duidelijk genoeg. Aan hun hand zitten lange vingers, en slechts een kleine duim. Dit is geen mensaap die gereedschap in de hand zal nemen. Dat is ook duidelijk. Een enkeling eet een vrucht.

Wij gaan aan onze kant van de open plek zitten. Vier of vijf mannetjes staan op en lopen een stukje onze kant op. Een uniek gezicht, moeiteloos rechtoplopende zwaarbehaarde mensapen. Hooguit schommelen ze wat meer dan wij. En door die grote grote teen rollen ze hun voet anders af.

We houden onze adem in, ze komen ons bekijken, die grote nieuwe apen die wij zijn. Kennelijk zijn ze niet bang. Een van hen houdt zijn handen op zijn knieën terwijl hij loopt – zó lang zijn zijn armen. Handig in de bomen. Een van de andere Ardi’s loopt haast voor de lol op vier poten mee, als een hondje, zijn handen plat op de grond. Ook weer zo’n verschil met chimpansees en gorilla’s, die met hun voorpoten juist heel gek op hun knokkels lopen.

Als ze dichterbij komen blijkt er ook een vrouwtje tussen te lopen. Van afstand is dat moeilijk te zien. Mannetjes en vrouwtjes zijn bij Ardipithecus vrijwel even groot, maar de grootste dieren zijn toch duidelijk mannetjes, dat kunnen we goed zien, het grote geslachtsdeel bungelend tussen de benen. Het penisbotje is ook al verdwenen bij deze voorouders, dat is ook wel duidelijk.

Zijn het dieren? Mensen kunnen we deze nieuwsgierig kijkende mensapen toch nog niet noemen? Ze hebben al wat oogwit, zo lijkt het. De donkere irissen schitteren tegen een witte achtergrond, een klein randje maar. Het maakt hun ogen menselijker dan die van een gorilla of chimpansee. We blijven gewoon zitten waar we zijn en al snel verliezen de Ardipitheci hun belangstelling voor ons. Een paar kinderen proberen insecten te vangen en rollen over de grond. Maar ze blijven zorgvuldig bij ons uit de buurt. De jonge vrouwen halen vogelnesten leeg uit de bomen, handig omhoog klimmend langs de stam. Kinderen slurpen de eieren leeg. Een van de mannetjes vangt een muis, gewoon omdat die onder zijn hand door loopt. Hij slaat toe en eet hem levend op. Krak! Als hij zijn mond wijd opendoet om met een achteloos gebaar de muis erin te gooien zien we goed zijn kleine hoektanden.

Dat was de grote openbaring van de Ardipithecusfossielen. Kleine hoektanden, ook bij mannetjes! Dat heeft geen enkele andere mensaap. Behalve mensen. Dat is belangrijk, want dat kan betekenen dat de Ardi-mannetjes minder met elkaar hoeven vechten. En dat zou weer betekenen dat ze geen ruzie maken over de vrouwtjes. En waarom dat dan niet? Omdat iedere Ardi-man een eigen vrouw zou hebben? De meeste antropologen vinden het een belachelijk idee. Het huwelijk als 4,4 miljoen jaar oude uitvinding! Tssssss. Er kunnen zoveel redenen voor die hoektanden zijn.

’s Avonds gaan ze dieper het bos in, en handig vouwen de Ardipitheci van takken en grote bladeren een nest in de bomen, tien meter hoog. Lekker veilig. Per gezin een nest, man vrouw en een paar kinderen. Heel ongewoon voor primaten. Zouden die speculaties over die hoektanden toch waar zijn? Wij slaan in de buurt ons kamp op. De luipaard horen we niet meer. De hyena’s ook niet.

Een week lang blijven we op afstand, om de Ardi’s te laten wennen aan hun grote verwanten.

Uit verveling tellen we de paringen, door een verrekijker. Inderdaad, het lijkt op een uitgesorteerd seksleven. Voorzover we de individuele Ardi’s kunnen herkennen is er weinig promiscuïteit. Maar veel seksleven zien we sowieso niet. Misschien zijn we in het verkeerde seizoen gearriveerd.

Dan gaan we dichterbij.

Als we minder dan tien meter van de Ardi’s verwijderd zijn, liggen ze als altijd relaxed te eten en half te slapen in de zon. We kunnen onze oren niet geloven. Een eindeloos vibrerend, flutterend geluid klinkt op, een vreemd Ardipithecuskoor van zachte geluidjes. Nooit allemaal te gelijk, maar wel steeds vier of vijf en allemaal doen ze wel eens mee, mannen, vrouwen, kinderen.

Tot nu toe waren we te ver weg om er iets van te horen.

De verbijsterend conclusie is: het lijkt wel of ze met elkaar praten. Dit is het geroezemoes van een schoolplein!

Het wordt een obsessie. Weken later hebben we de geluiden en geluidjes redelijk goed kunnen ontcijferen, dankzij de directe relatie met hun gedrag. Een computer in de oertijd kan wonderen doen.

En het vreemde is dit. Als je alleen zou kijken naar wat één Ardi zegt, zie je een vreemde, onmenselijke taal zonder werkwoorden. Zonder grammatica. En bijna zonder woorden zelfs. Losse woorden achter elkaar, met heel veel bijbehorende emotieaanduidingen.

Gras [afgrijzen]. Aap [angst, nieuwsgierigheid]. Wortels [vrolijkheid]. Seks [geluk] – zoiets.

Maar Ardipithecus produceert deze geluiden nooit in zijn eentje, juist altijd in snelle interactie met een paar anderen. Als we deze collectieve flutter analyseren wordt het een heel ander verhaal. Nog geen Shakespeare, maar in de onderlinge herhaling van woorden lijkt een soort werkwoordelijkheid te ontstaan. Het is een taal die uit die fluttertjes omhoog komt, maar die niettemin teleurstellend ongrijpbaar blijft. Voor de grap maken we vertalingen in moderne mensentaal – fantasie, denken we. Want hoe kan je zo’n collectieve taal hebben als je ook een directe band tussen man en vrouw hebt? Hoe praten die dan met elkaar? Is het wel een taal?

Omdat we na al dat onderzoek de geluidjes ook zelf redelijk goed na kunnen doen, besluiten we tot een krankzinnig experiment. We gaan er met zijn tweeën op af, om een groepje Ardipitheci te interviewen. Met zijn tweeën, omdat Ardinees geen taal is om in je eentje te spreken.

Kilometers van de plek waar we ooit het bos in zijn gegaan, vinden we vier Ardi’s in een boom. We gaan eronder staan, schrapen onze keel.

Hallo vrienden! Ziet u ons als familie?

Totale stilte. En dan geflutter zoals we nog nooit gehoord hebben. Onze vertaalapparatuur kan het bijna niet bijhouden.

De Ardi’s zeggen zoiets als: „Hahahaha. Welnee zeg. Familie is heel bijzonder, dat zijn wij voor elkaar. Naburige groepen al geen familie. Kale apen geen familie. Geen vrienden. Zijn jullie boos?”

We antwoorden: „Wij zijn niet boos. Wij zijn vrienden.”

We vragen ons af wat we verder moeten vragen, aan deze ‘Oudsten der dagen’ die hier boven ons in de boom hangen. Van zenuwachtigheid begint er een te poepen.

Bent u gelukkig?

„Ja. Ja. Nooit honger. Maar familie dood is geen geluk. Nu niet.”

We volgen hun blik. Verderop ligt een aangevreten Ardipithecuskind. Een luipaard was te snel. Niks van gemerkt vandaag. Als we weer omhoog de boom in kijken, zien ze ons al niet meer. Dichtbij horen we hyena’s lachen.

„Behalve een groot brein en technologie heeft Ardipithecus ramidus eigenlijk alles al wat ons tot mensen maakt.” Op die persoonlijke opmerking (per e-mail) van de Ardipithecusontdekker Tim White is dit stuk geïnspireerd. De fluttertaal is natuurlijk fantasie, voor de rest is geput uit de Ardipithecuspublicaties in Science (2 oktober 2009)

Nacht der tijden

    • Hendrik Spiering