In elke dode eindigt een tijdperk

Sommige voorbije levens worden in de krant herdacht, maar elke dode markeert het einde van een tijdperk, schrijft Marjoleine de Vos. En toch verhindert niemand ons niet treurig te zijn om ons verlies, maar verrukt om ons bezit.

Dit is het eind van het jaar. Het begin ervan ligt alweer goed opgesloten in de tijd, zoals trouwens ook het begin van deze dag alweer, maar dat voelt nog niet zo.

Je hebt altijd allerlei gevoelens over tijd en het verstrijken ervan. Je zegt zo gemakkelijk: ‘O, dat is zeker tien jaar geleden’ en het doet je niets, onverschillig breng je het uit. Maar op een ander moment zit je met een zijden strikje in je hand dat je kocht, vijfentwintig jaar geleden, en ineens zie je jezelf weer, of nee, je ziet jezelf niet, je voelt jezelf door de zonnige straat lopen naar de winkel die er nog steeds is en dat strikje kopen en het omdoen ook en wat voor gevoel je dat gaf over jezelf en je verschijning – wat is dat lang geleden. Ineens betekent ‘vijfentwintig jaar’ iets.

Met mensen gaat het nog meer zo. De vriend die stierf in 1998 – als je dat zo zegt of denkt is het niets, een betekenisloze mededeling. Maar denk aan hoe je naar zijn huis ging: je liep de straat uit of zette je fiets neer bij hem beneden en keek misschien al even naar de ramen, want dat doe je makkelijk als je bij iemand op bezoek gaat, je deed de zware voordeur open, hoorde het geluid van je voeten op de treden, rook de geur bij hem in de gang, zijn stem als hij je verwelkomde – zodra je je precies die details voorstelt is dat leven er weer, in het nu, en voel je tegelijkertijd hoe ver weg het is en wat het betekent: 1998.

En niet alleen voel je dat die tijd ver achter je ligt, maar ook dat er een tijdperk ver achter je ligt. Het tijdperk waarin die vriend nog leefde, volkomen vanzelfsprekend. De hele wereld was toen anders. Je sprak met elkaar over mensen die ook nog leefden, er waren schrijvers die met boeken kwamen en die schrijvers zijn nu dood, of ze waren al dood maar je vriend had ze gekend en hield ze levend en sinds hij dat niet meer doet is er eigenlijk niemand meer die zegt: ‘Victor van Vriesland’ of ‘Anna Blaman’ en zich daar een gezicht bij voorstelt en een huiskamer, en bijna niemand meer die zich nog iets herinnert van het bombardement van Rotterdam en niemand praat meer zo en niemand beweegt zijn elegante slanke handen meer zo en, ach.

Iedereen die sterft beëindigt een tijdperk voor degenen die hem na staan. Sommigen, de doden die in kranten herdacht worden, markeren ook het eind van een tijdperk voor anderen.

Over tien jaar is het al minder vanzelfsprekend dat Michael Jackson echt leefde, en dat hij geregeld op de televisie te zien was. Voor degenen die nu zestien zijn en dan zesentwintig zal hij vermoedelijk nooit anders dan mythisch zijn en dat zal hen scheiden van degenen die hem hebben zien komen als breedneuzig jongetje.

Zij, die laatsten, zullen een kloof ontwaren tussen henzelf en hun tijd, en de nieuwe tijd waarin mensen rondlopen die volwassen zijn en serieus, maar die nooit van Edward Schillebeeckx hebben gehoord en die niet beginnen te zingen (‘Ohohohohohoo’ – de Shaffy Cantate) als de naam van Ramses Shaffy wordt genoemd. Terwijl zij zichzelf in hun herinnering aantreffen op een zonnige zomerdag, met gretige jonge oren luisterend naar Shaffy Chantant, een plaat waarvan ze tot op de dag van vandaag alles mee kunnen zingen.

Het maakt allemaal onuitsprekelijk melancholiek, al dat voorbije, al dat sterven, „al dat hier zijn om niet” zoals de dichter Hans Faverey schreef in het jaar dat hij zelf wist te zullen sterven – twintig jaar geleden alweer.

Waarom is het voorbijgaan van de tijd, met alles wat hij meesleurt, vaak zo moeilijk? Waarom verheugen we ons niet over wat er was en kijken we niet met verrukking terug op wat we waren en hoe we waren?

Kijk daar zitten we, vijf jaar geleden nog maar, op een terras aan de Egeïsche Zee en we praten over de ons onbekende toekomst en we zijn gelukkig met elkaar en met ons uitzicht en ons gesprek, met heel die rijkdom van leven. En daar, vijftien jaar geleden, kopen we een kerstboom en versieren hem en daar, kijk, was je vader er nog bij, en als je even verder dwaalt door de paleizen van het geheugen vind je van alles: een middag in het Concertgebouw waar Eugen Jochum de Matthäuspassion dirigeerde, een optreden van een zangeres in een bos („In een bos?” „Jawel, ze zweefde met haar hakken vlak boven de boomwortels”), ochtenden waarop je elkaar voorlas uit de krant met ontbijt in bed, een verjaarspartij waarop iedereen vrolijk en opgewonden was al weet je nu niet meer zo goed waarom, het licht op het water als je uit de ramen keek, de stem van een vriendin door de telefoon.

Misschien is het allemaal voorbij, maar het is er nog, terug te vinden, glanzend bewaard in die onuitputtelijke schatkamers en niets en niemand verhindert ons om daar rond te dwalen en niet treurig te zijn om ons verlies, maar verrukt om ons bezit.

Niets en niemand, behalve ons eigen gevoel van verlies.

Maar we zijn niet alles kwijt. De voorbije tijd hebben we. Ook dit jaar.

Verleden tijd

Verleden tijd

    • Marjoleine de Vos