'Ik was, dus ik ben'

‘Niets bestaat zonder een geschiedenis. In principe zijn we allemaal afhankelijk van het verleden om te overleven. Elke handeling die we uitvoeren, heeft een vracht aan geschiedenis achter zich.” Deze uitspraken vatten min of meer de teneur van de jaarlijkse Huizingalezing samen die Marita Mathijsen onlangs in de Leidse Pieterskerk hield.

„Ik was, dus ik ben” is de nog kortere samenvatting die boven de sterk verkorte versie stond die daags daarna in de krant te lezen was (Opinie & Debat, 19 december). Ik zou liever zeggen: „Ik ben, dus ik was”, maar dit bijna filosofische geschilpuntje doet niet af aan de betekenis van die rede, die nog even lang zal nagalmen als Karel van het Reves Huizingalezing uit 1978.

Het toeval wil dat, toen ik die lezing las, ik naast mij een artikel uit The Economist van 5 december tussen mijn knipsels had liggen die ik eventueel kon gebruiken als meststof voor een eigen artikel. Het ging over de schaduw van het Britse verloren wereldrijk waar het Verenigd Koninkrijk in veel opzichten nog altijd in leeft – vaak zonder het te weten.

Zou dat ook voor Nederland gelden? Ook ons land heeft enkele eeuwen lang een koloniaal rijk gehad – het derde in grootte ter wereld. Zou dat nog nawerken, nu Nederland vrijwel teruggevallen is op een klein stukje grondgebied in Europa? Is dit verleden, dit stuk geschiedenis, spoorloos verdwenen – niet alleen de facto, maar ook in het onderbewustzijn van de mensen?

Ik spreek dan niet van vele straten in vele steden die naar Indonesische eilanden en gouverneurs-generaal vernoemd zijn; en evenmin over de rijsttafel, die nog tot het menu van vele Nederlanders behoort. Ook niet over de Maleise woorden die deel van onze taal zijn geworden en waarschijnlijk zullen blijven; zelfs niet over de vele Nederlanders wier land van herkomst herkenbaar een van onze voormalige koloniën is.

Nee, ik denk dan eerder aan het beeld dat het huidige Nederland van zichzelf heeft. Zijn daarin nog sporen te vinden van het verleden als imperiale mogelijkheid – ook bij mensen die radicaal met dat verleden gebroken hebben, ja altijd anti-koloniaal zijn geweest (zoals de socialisten)? Hebben ook zij het gevoel verloren dat er elders op de wereld iets groots te verrichten was?

Het artikel in The Economist noemt het „militarisme en messianisme” van de Labourpremier Tony Blair, wiens „mengsel van verantwoordelijkheidsgevoel en geloof het recht aan zijn zijde te hebben” hem ertoe leidde „te streven naar een invloed die groter was dan Engelands verminderde status rechtvaardigde”, en hem medeplichtig maakte aan de oorlog in Irak. En hij was niet de enige. Denk aan Anthony Eden en zijn rampzalige Suez-avontuur in 1956.

Welke Nederlander denkt dan niet aan het Nieuw-Guinea-avontuur, waaraan vooral de naam van Luns verbonden is. Maar dan wordt vergeten dat die – even rampzalige – politiek jarenlang gedekt is geweest door het parlement, incluis de PvdA. Ook Nederland nam toen een taak op zich die het niet kon behappen – niet uit koloniale heimwee, wél uit een gevoel een missie te hebben.

Is dat missiegevoel nu spoorloos verdwenen? Welnee, het dook weer op in het programma van de drie progressieve partijen die in 1973 de kern van het kabinet-Den Uyl zouden vormen, maar nu onder de mantel van „gidsland”. Elk koloniaal heimwee was die partijen vreemd, maar ook zij waren, zij het onbewust, de erfgenamen van een imperiaal verleden.

Is Nederlands geestdrift voor wat met een eufemisme ontwikkelingssamenwerking genoemd wordt denkbaar zonder zijn koloniale verleden? Die is in de jaren 50 zeer bewust begonnen teneinde de expertise die Nederland in het verloren koloniale rijk had opgedaan, elders van nut te doen zijn en tegelijk de vele deskundigen op dit gebied werk te verschaffen. De eerste rector van het in 1952 opgerichte Institute of Social Studies in Den Haag was de oud-Indische landbouweconoom Egbert de Vries.

Later kwamen er andere motieven bij, zoals schuldgevoel wegens dat verleden. Maar dat gevoel sprak al uit de Troonrede van 1901, waarin de regering erkent een „ereschuld” te hebben jegens de inheemse bevolking. Het was het begin van de zogeheten ethische richting, die wisselende invloed zou hebben op het koloniale beleid. Na de Japanse verovering in 1942 zouden mannen van de in 1930 opgerichte Stuwgroep (Van Mook, Jonkman, Logemann) zelfs in de regering opgenomen worden. De groep bepleitte een onafhankelijk Indisch Gemenebest met blijvende band met Nederland – een concept dat spoedig achterhaald bleek. Zij zijn de (grotendeels vergeten) voorvaders van hen die nu ons ontwikkelingsbeleid bepalen – ook in hun paternalisme. In hen werkt dit voorgeslacht, dus de geschiedenis, na. Als zij er zich bewust van zouden zijn, zouden wij er even trots op mogen zijn als Balkenende is op de Verenigde Oost-Indische Compagnie.

Vóór de oorlog heerste de vrees dat, als Nederland zijn koloniën kwijt zou raken, het zijn status van middelgrote mogendheid zou verliezen en terug zou vallen tot de „rang van Denemarken”, blijkbaar een vreselijk vooruitzicht. Nog steeds klampt Nederland zich vast aan het idee een middelgrote mogendheid te zijn, wat het niet bijzonder populair maakt bij de even groten en nóg kleineren, en weinig zoden aan de dijk zet bij de anderen. Het bescheidener België liep weg met het voorzitterschap van de Europese Raad.

Hier werkt de „vracht aan geschiedenis” eerder als voetblok dan als inspiratie. Maar hier gaat het niet om het nut van geschiedenis, maar over het bewustzijn ervan, het bewustzijn dat iedereen een geschiedenis heeft, ook een land. Of we willen of niet, of we het weten of niet: we zijn alleen product van een geschiedenis, zelfs in de verwerping van dit concept. Kennis ervan is zelfkennis. Dus toch: „Ik was, dus ik ben”?

U kunt de auteur mailen via dezerdagen@nrc.nl of online reageren op nrc.nl/heldring.

    • J.L. Heldring