De wereld wordt iets groener volgend jaar

De economie en niet zozeer de politiek zal in 2010 de drijvende kracht zijn in het gevecht tegen de opwarming van de aarde. Maar op langere termijn is het beeld somber.

In 2009 had de wereldwijde recessie een groter effect dan alle diplomatieke inspanningen die eindigden in de flop van de conferentie van Kopenhagen. Volgens het Internationaal Energie Agentschap (IEA) is de energieproductie sinds 1981 niet meer op zo’n grote schaal gedaald. Vijf economische redenen voor de wereld om het komende jaar iets groener te worden (slechts een paar ervan zouden wensdromen kunnen blijken…)

In de eerste plaats is daar de hoge olieprijs. Duurdere olie bevordert de investeringen in alternatieve energiebronnen. Ruwe olie is sinds juni binnen een redelijk nauwe – en geruststellend dure – bandbreedte van 64 tot 80 dollar per vat verhandeld. Het is niet waarschijnlijk dat de prijs onder dat niveau zal duiken.

Weliswaar zijn de voorraden overvloedig en zal de Iraakse olie-industrie uiteindelijk uit de puinhopen herrijzen, maar er zijn diverse redenen om te denken dat de olieprijs in 2010 en daarna hoog zal blijven. De groei van de vraag in grote ontwikkelingslanden als China en India is een goede steun in de rug. Neerwaartse druk op de dollar zou de prijs waarschijnlijk helpen schragen. En de OPEC heeft vermoedelijk nog steeds genoeg macht om te voorkomen dat de prijs keldert. Dus ook al zal de olieprijs niet tot recessie veroorzakende hoogten stijgen, hij zal hoog genoeg blijven om alternatieve energiebronnen winstgevend te houden.

In de tweede plaats is daar de lage aardgasprijs. Goedkoop gas stimuleert elektriciteitsbedrijven om meer door gas gestookte centrales te bouwen, die schoner zijn dan kolencentrales. Het huidige overschot in het gasaanbod zal waarschijnlijk niet snel verdwijnen. Zelfs de altijd mogelijke ruzie tussen Rusland en Oekraïne, of een koudere winter dan gebruikelijk, zouden waarschijnlijk niet genoeg zijn om de wereldprijzen op te stuwen. De onconventionele gaswinning in de Verenigde Staten zal naar verwachting toenemen. Dat zal Qatar en de andere exporteurs van vloeibaar aardgas (LNG) ertoe aanzetten hun exportmarkt van Noord-Amerika naar Azië en Europa te verleggen. Het alternatieve aanbod zou de hand van de Europese kopers moeten versterken in de onderhandelingen met hun hofleverancier, Rusland.

In de derde plaats zal meer onderzoek worden verricht naar, en zullen meer subsidies beschikbaar komen voor schone energie. Het wensdromen, of – beter gezegd – het beredeneerde optimisme, zou hier wel eens kunnen beginnen. Toch zouden de westerse regeringen eindelijk kunnen beseffen dat de Verenigde Naties-achtige aanpak van de klimaatverandering gedoemd is te mislukken. Een nadruk op binnenlandse prioriteiten zou leiden tot meer vastberaden pogingen van overheden om het onderzoek naar niet-fossiele energiebronnen te stimuleren, waardoor hun kosten worden verlaagd en hun concurrentiekracht wordt vergroot.

In de vierde plaats zou afschrikking kunnen bewerkstelligen wat de diplomatie niet vermocht. Louter het vooruitzicht van een CO2-belasting op importen, waar de Europese Unie zich momenteel op beraadt, zou de Chinezen tot inkeer kunnen brengen. De Wereldhandelsorganisatie heeft erop gezinspeeld dat zo’n heffing niet noodzakelijkerwijs in strijd met haar regels zou hoeven zijn. Om een dergelijk soort invoertarieven de wind uit de zeilen te nemen, zou China met serieuze voorstellen moeten komen om zijn eigen CO2-uitstoot aan banden te leggen.

Ten slotte zullen de prijzen van de CO2-emissierechten weer gaan stijgen. Die kregen inderdaad een flinke tik na het falen van de conferentie in Kopenhagen om veel internationale samenwerking te verwezenlijken. Toch zullen maatregelen van diverse grote landen er uiteindelijk toe bijdragen dat CO2 duurder wordt op de beurzen waar de emissierechten worden verhandeld. Zo zijn er: de Amerikaanse ‘cap-and-trade’-wet, in samenhang met de intentie van de regering-Obama om de CO2- uitstoot als een bedreiging voor de volksgezondheid te kwalificeren, het plan voor energie-efficiëntie van de Britse regering en de Franse binnenlandse CO2-belasting, die nu overigens op weerstand van de rechter stuit.

Hoewel deze ontwikkelingen kunnen leiden tot een groener jaar, tekenen zich voor de langere termijn zorgwekkende signalen af. Als de IEA mag worden geloofd, kan de wereld zich bij het uitblijven van grote beleidsveranderingen opmaken voor een temperatuurstijging van 6 graden, veel meer dan het internationaal beleden doel van een beperking van die stijging tot 2 graden. De groei zal aantrekken, waardoor de vraag naar energie in 2030 40 procent hoger zal zijn dan in 2007. Daarbij nemen de niet-geïndustrialiseerde landen 90 procent van die stijging voor hun rekening. De vraag naar kolen – onder invloed van de toenemende behoeften van de ontwikkelingslanden – zal sneller stijgen dan de vraag naar andere energiebronnen.

Tegelijkertijd heeft de financiële crisis de investeringen in de productie van olie en gas en in energiecentrales omlaag gebracht. Met andere woorden: in 2030 kan de wereld te maken krijgen met de absurde situatie dat zowel de opwarming van de aarde als de energietekorten toenemen. Groen zal slechts de boventoon voeren als de grote machten van de wereld de sof van Kopenhagen interpreteren als een oproep om in actie te komen.

Vertaling Menno Grootveld

Voor meer commentaaruit Londen: www.breakingviews.com

    • Pierre Briançon