De Tweede Kamer is bezig met zijn comeback

Het praattheater dat Kamer heet, is minder machteloos dan het lijkt. Wie schittert in het parlement, is de lieveling van de media en van de kiezer, betoogt Henk te Velde.

Nederland kent een lange parlementaire traditie, maar het parlement was hier nooit erg in tel. Voor de gemiddelde Nederlander was het niet meer dan een onderdeel van het politiek-bestuurlijk complex dat we tegenwoordig ‘Den Haag’ noemen. Politici maakten carrière via partij of regering. Vanaf de jaren zestig gebeurde dat soms ook wel via de media (zoals Hans van Mierlo), maar zelden via de Kamer. Politiek werd in Nederland opgevat als bestuur; volksvertegenwoordigers waren notabelen of bestuurders, geen volkstribuun.

Door de ‘verplaatsing’ van de politiek naar Europa, de regio en het bedrijfsleven lijkt de positie van de Kamer alleen nog maar zwakker geworden. En wat is er nog over van de controlerende functie van het parlement? Hoe kan het ooit op tegen de legers ambtenaren van de uitvoerende macht? Met de controlerende en medewetgevende functie is het ook niet goed gesteld. Kommer en kwel dus, zou je zeggen.

Maar op klachten moeten we ons niet blindstaren. Die zijn er al sinds gezaghebbende staatsrechtgeleerden in de klassiek parlementaire tijd van Thorbecke schreven over het „bij uitnemendheid hollandsch euvel” van een „woordenrijk parlement” dat in die „bezige tijd, een tijd van zakendoen” zijn gezag dreigde te verliezen.

Kritiek was er altijd, maar de Tweede Kamer is er behalve voor daden toch vooral voor woorden. De tijd dat politieke partijen en verzuilde ideologieën het politieke debat domineerden is grotendeels voorbij. De meeste Kamerleden zijn niet meer verbonden met een aanwijsbare maatschappelijke achterban, laat staan een maatschappelijke beweging.

Maar nu is de Kamer zelf terug als centrum van het politieke en maatschappelijke debat: niet dat het debat zich daadwerkelijk vooral daar afspeelt – dat gebeurt meer in de massamedia – maar de Kamer bepaalt als politieke barometer de positie van politici. Het duidelijkste voorbeeld daarvan is Geert Wilders. Hij zet zich af tegen ‘Den Haag’, maar is er al sinds het begin van de jaren negentig werkzaam. Hij is zelfs ondenkbaar zonder de Kamer. Het is zijn podium en tribune, erbuiten bestaat hij niet, of het moet in afgeleide zin zijn, in de media. Maar ook daaruit zou hij verdwijnen zonder het parlement. Er is geen volksbeweging, er is geen partij, er is een man en er is een fractie. Paradoxaal genoeg is daarmee de Kamer een belangrijker forum geworden dan hij in decennia geweest is.

Wilders’ tegenstrever Alexander Pechtold dankt de opleving van zijn partij aan zijn optreden in de Kamer. Nu is D66 altijd op en neer gegaan in de kiezersgunst, maar niet eerder werd een opleving zozeer door parlementair optreden bepaald. Hoe belangrijk dat tegenwoordig is, blijkt wel uit het tegenvoorbeeld van Rita Verdonk, die dacht dat een bestuurdersimago voldoende zou zijn, maar geheel op de achtergrond is geraakt sinds bleek dat ze in de Kamer niets presteert. Dat doet ertoe en in de kiezerspeilingen is ze verdwenen. En de positie van Mariëtte Hamer is weliswaar sowieso moeilijk door de problemen van de PvdA, maar ze zou dit jaar niet omstreden zijn geraakt als ze in de Kamer meer zou overtuigen dan ze nu doet.

Ongestraft kan ondertussen ook de premier de Kamer niet negeren. Bij de algemene beschouwingen was hij niet „in vorm”. Het werd hem hoogst kwalijk genomen en deed zijn positie geen goed. Tegelijk bevestigde het de renaissance van het parlement. In de bestuurlijke decennia vóór 2002 legden Lubbers en Kok de Kamer hun wil op, nu leek de ervaren premier in de Kamer een ongemakkelijke en ongeoefende gast. Terwijl veel politieke beslissingen in Brussel worden genomen, debatten vooral in de media worden gevoerd, is de Kamer nog steeds onontkoombaar, en meer dan lange tijd het geval was.

Nog in 2002 leek de onzekere Kamer slachtoffer te worden van de Fortuyn-revolte. De LPF-fractie trok triomfantelijk de Kamer in om daar nieuwe politiek te gaan bedrijven en voor veel gevestigde politici leken ‘oude wijken’ opeens belangrijker dan het parlement zelf. Maar na een periode van politiek engagement in de jaren zestig en zeventig waarin zich het debat vooral in maatschappelijke bewegingen afspeelde, en na de bestuurlijke jaren tachtig en negentig waarin de premiers en de uitvoerende macht het politieke debat domineerden, heeft de Kamer nu een nieuwe functie van politieke barometer verworven.

Zo gewonnen, zo geronnen, zult u zeggen. Ja, dat is nu eenmaal de wereld van de moderne politiek en het debat. Maar voor al die politici die bibberen voor de kiezerspeilingen geldt: neem de Kamer serieus. Daar kun je de kiezersgunst winnen met een sterk optreden. Dan staan de media in de rij.

Voor somberaars over oprukkend populisme: zolang dat niet zonder de Kamer kan, zou het best eens kunnen bijdragen aan versterking daarvan. Parlement betekent ‘parler’ en ‘mentir’ zei de oude socialist Domela Nieuwenhuis. Het zijn verwijten die met meer recht tegen populisten kunnen worden ingebracht. Het woord is aan de Kamer.

Henk te Velde is hoogleraar vaderlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden.