Achter de dingen

Het schilderij Gezicht op de Gouden Bocht hangt weer in het Rijksmuseum. Maar al die details op Berckheydes beroemdste stadsgezicht zijn een afleidingsmanoeuvre, ziet Lucette ter Borg. Kruip door het sleutelgat.

De middag kruipt de avond tegemoet, straatlantaarns, de koplampen van auto’s springen aan. Als ik mijn fiets op slot zet en mijn rug naar het met schuttingen afgegrendelde, oude Rijksmuseum draai, weerspiegelen duizend sterren boven het waterkoude wegdek van de Amsterdamse Stadhouderskade. Auto’s, steeds meer auto’s, scooters en fietsen met rode, gele en oranje lichten glijden in een steeds trager tempo voorbij. Kop aan staart. Naar huis, snel – als een kudde koeien die het weiland doorsjokt op weg naar de stal.

De stad is overal. Ze is niet alleen te horen – in de claxons, de knetterende motoren, het gevloek van de fietsers, de trams die op de Weesperzijde door hun bevroren rails schaven. Ze is ook te zien in de flikkerende lichten, de ongeduldige gezichten van de voetgangers. Ze is te ruiken in de scherpe lucht van benzine, de walm van oliebollen en opspattend straatvuil. Maar om de hoek van de Stadhouderskade, in de tuinen van het Rijksmuseum, lijkt de stad mijlenver weg. Daar maakt de Italiaanse koffieverkoper neuriënd zijn karretje schoon. De museumbezoekers die vanochtend en aan het begin van de middag langs zijn strategisch geplaatste kraam schuifelden en hun handen warmden aan een verse espresso, zijn opgelost. Er zijn geen wachtenden meer bij de kassa verderop, al is het museum nog zeker een paar uur open. Je kunt naar binnen lopen alsof je je eigen huis betreedt.

Het Rijksmuseum heeft in de Philipsvleugel vierhonderd zeventiende-eeuwse meesterwerken uit zijn collectie tentoongesteld. Naar één zo’n meesterwerk ben ik op zoek. Het is een van de wonderbaarlijkste, stilste en meest mysterieuze kunstwerken die ik ken, maar nog nooit in het echt heb gezien. Het is mysterieuzer dan de Mona Lisa, van wie de glimlach in het Louvre altijd teleurstelt.

Het is geen doek van Rembrandt, niet het Melkmeisje van Vermeer. Het is niet het sensationele poppenhuis van Petronella Oortman – dé kijkcijferhit van klein en groot in ‘Het Rijks’. Nee, het is een niet eens zo opvallend schilderij dat hangt in de derde zaal die naar het poppenhuis is vernoemd.

Het paneel, dat niet groter meet dan zo’n 40 bij 60 centimeter, hangt hier sinds mei 2009. Toen kwam het wettelijk in bezit van het Rijksmuseum. Het gezicht op het rijkste gedeelte van de Herengracht, dat was aangelegd na de laatste grote uitbreiding van de Amsterdamse grachtengordel in 1662, is geschilderd door een eenvoudige Haarlemse slagerszoon: Gerrit Adriaensz. Berckheyde. Samen met Jan van der Heyden brengt Berckheyde het genre van het stadsgezicht in de jaren zestig en zeventig van de Gouden Eeuw tot ongekende hoogte. Het schilderij dat nu in het Rijksmuseum hangt, behoort tot de hoogtepunten van de hoogtepunten.

De zalen zijn nagenoeg uitgestorven, op een paar landerige suppoosten na. Maar pontificaal voor Berckheydes Gezicht op de Gouden Bocht van de Herengracht, vanaf de Vijzelstraat staat een jonge man met een koptelefoon op. Hij bestudeert het paneeltje minutenlang, langer dan de stem in zijn oren tegen hem praat. Ik kijk naar zijn achterhoofd, waartegen stukjes van Berckheydes schilderij scherp afsteken. Bruine krullen in een flard voorjaarsblauw. Waarom lijkt het plotseling alsof de jongen naar een schilderij van zichzelf kijkt, net als het beroemde schilderij van René Magritte? Waarom intrigeert dit paneel van Berckheyde zoveel mensen op zoveel manieren?

Om met het eenvoudigste te beginnen: er is de raadselachtige ontdekking. Pas in 2002 wordt het paneel bij Sotheby’s in Londen te koop aangeboden. Daarmee komt het schilderij als het ware voor ’t eerst op de wereld. Tot die tijd, vertellen experts als Taco Dibbits van het Rijksmuseum of Norbert Middelkoop van het Amsterdams Historisch Museum, is over het bestaan van het meesterwerk niets bekend. Ja, zegt Middelkoop, er bestaat een tekening van Berckheyde waarvan men altijd vermoed heeft dat ze een voorstudie was van een verloren gegaan schilderij. Die tekening, in de collectie van het Gemeentearchief Amsterdam, toont eveneens de Bocht in de Herengracht vanaf de Vijzelgracht, maar wijkt op punten af.

In de enige monografie over Berckheyde – een boek uit 1991 van de Amerikaanse kunsthistorica Cynthia Lawrence dat ik opvraag bij de bibliotheek van het Rijksmuseum – komt de naam van het schilderij niet voor. Vier eeuwen lang, vanaf 1672 als Berckheyde de laatste hand legt aan het paneel, tot de Londense veiling in 2002 zit Het Gezicht op de Gouden Bocht diep verstopt in particuliere collecties in Engeland. Het paneel is al die tijd niet geëxposeerd, niet beschreven. Het heeft ergens op een Engels landgoed gehangen, op een slaapkamer, een boudoir of studeerkamer, vermoed ik. De afmetingen van het paneel vragen namelijk niet om imposante ontvangstzalen of hallen met marmeren trappen, maar om intimiteit en stille concentratie.

Aan die stilte komt een einde in 2002. Dan koopt de Londense kunsthandelaar Richard Green het schilderij bij Sotheby’s voor 611.000 pond. Een jaar later biedt Green het zelf weer te koop aan, dit keer voor 1,2 miljoen pond, op de TEFAF in Maastricht. Daar koopt de voormalige Almelose huisarts en belegger Louis Reijtenbagh het. De multimiljonair, die huizen over de hele wereld bezit, verscheept De Gouden Bocht naar New York, waar hij het in zijn appartement in de Trump Towers ophangt.

In 2008 raakt Reijtenbagh in opspraak. De man die zijn fortuin vergaart door slim te verdienen aan faillissementen van anderen en leningen met leningen dekt, krijgt nu zelf een horde schuldeisers achter zich aan. De banken bij wie Reijtenbagh zijn kunstcollectie in onderpand heeft gegeven, eisen de collectie op. Maar Reijtenbagh en zijn zonen blijken al stiekem stukken uit de collectie te hebben verkocht om aan liquide middelen te komen.

Het verstilde Gezicht op de Gouden Bocht hoort ook bij die vroegtijdig verkochte werken. Het Rijksmuseum hapt meteen toe, als de Nederlandse restaurator die het schilderij onder handen heeft het museum over de verkoopplannen van de verzamelaar tipt. Het paneel komt op zicht en wordt in september 2008 aangekocht met geld van onder andere de Stichting Nationaal Fonds Kunstbezit. Deze stichting springt alleen bij wanneer kunstaankopen van eminent belang zijn voor het Nederlands erfgoed, zoals het geval was met Mondriaans Victory Boogie Woogie in 1997.

Het volgende raadsel van het schilderij vormt de kunstenaar zelf. Zo weinig als er over het leven van Berckheydes tijdgenoot Johannes Vermeer bekend is, zo weinig staat er ook vast van Berckheyde. Beiden kun je sfinxen noemen: de één van Delft, de ander van Haarlem. Over Berckheydes levenswandel en zijn opdrachtgevers geven de bronnen weinig tot niets prijs. Wat je in iedere tekst naleest, is een samenraapsel, afkomstig uit het Haarlems doop- en begrafenisregister, het register van het Sint-Lucasgilde en dat van de Rederijkerskamer De Wijngaardranken in Haarlem, waar Berckheyde van 1666 tot 1681 staat ingeschreven. Berckheyde blijft ongetrouwd, hij heeft geen kinderen, is zijn leven lang samen blijven wonen met zijn oudere broer Job en zijn zusje Aechje. De vroeg achttiende-eeuwse kunstenaarsbiograaf Arnold Houbraken vermeldt dat Gerrit ‘de meest ingetogen’ van de twee was.

Toch wijst het meest opmerkelijke detail van Berckheydes leven niet op een ingetogen levensstijl. Want in de nacht van 10 juni 1698 probeert de kunstenaar na een bezoek aan een café met zijn dronken hoofd de weg naar zijn huis af te snijden. Dolend door de achtertuin van de Haarlemse burger Alexander Vos verstapt hij zich en valt in de Brouwersvaart. Hij verdrinkt. Hij laat geen testament achter, geen inboedelinventaris, geen correspondentie met opdrachtgevers.

Wat is er dan wel?

Schilderijen. Tekeningen. Berckheyde specialiseert zich vanaf 1660 in stadsgezichten in Haarlem (de Sint Bavo), Amsterdam en Den Haag (het Hof). Vooral in Amsterdam, dat in de zeventiende eeuw explosief groeit en symbool van de jonge trotse Republiek, werkt hij veel. Het adagium van de Haarlemse schilders indachtig – ‘In Haarlem de kunst, in Amsterdam ’t geld’ – reist Berckheyde de negentien kilometer tussen Haarlem en Amsterdam tientallen keren op en neer. In Amsterdam huurt hij nooit een huis.

Hij schildert het nieuwe Stadhuis op de Dam vanuit verschillende perspectieven en op verschillende momenten van de dag – precies zoals Monet het eeuwen later doet in zijn Kathedraal van Rouen, die hij op verschillende tijdstippen en vanaf verschillende plekken schildert. De Gouden Bocht, die dan nog niet zo heet, schildert Berckheyde zeker vier keer, vanaf verschillende posities. Twee daarvan zijn nu in de collectie van het Rijksmuseum, een derde in de collectie van het Amsterdams Historisch Museum en een vierde in de collectie Six.

Het paneel dat nu op zaal hangt in het Rijksmuseum, is het mooiste. Het heeft de meest levendige kleuren, de opmerkelijkste details, het grootste contrast tussen licht en donker (maar niet té donker). Het licht valt schuin van links naar rechts, en komt dus uit het zuidoosten. Het is ochtend op de Herengracht, maar niet heel vroeg. Een uur of tien, schat ik, en dat kan kloppen met het feit dat Berckheyde op en neer reisde van Haarlem naar Amsterdam, en dus voor dag en dauw vertrok. De hemel is zachtblauw, neigt naar wit in de verte, en midden in beeld drijven een paar stapelwolken. Het zou weleens zo’n jonge zomerdag kunnen zijn waar iedereen eeuwig naar verlangt: het is nog niet te warm, het licht is nog niet te hard, de dag is nog vol beloften.

Op het eerste gezicht heeft de kunstenaar de Herengracht precies zo weergegeven als de gracht, de huizen en de Bochtbewoners zich aan hem tonen op zijn plek op de brug. Hij legt vast wat hij ziet bij een stad in opbouw. Zo zijn er blokken steen die lukraak rondslingeren op de kademuur. Er ligt grind op de straat. Ter hoogte van de Spiegelgracht is de weg afgesloten met een stellage. Nog niet alle kavels aan de Herengracht zijn in 1672 verkocht – de bouwactiviteiten zijn nog in volle gang.

Toch is dat realisme bedrieglijk. Want is het niet vreemd dat de afgebeelde bewoners geen greintje last lijken te hebben van het bouwen? Ze kuieren een stukje, hun kragen en boorden zijn spierwit, ze maken een kletspraatje met een buurman, een werkman in een aangemeerde sloep steekt eens een pijp op. Alles beweegt zich in volstrekte rust, min of meer in het luchtledige. Nergens is sprake van een dispuut, gedrang, een kar die ratelt op de keien, een haastklus die nog even moet worden afgemaakt, een boodschappenmand die uitpuilt van de groenten. Iedereen beweegt zich volgens een ideaal patroon van omzichtigheid om en rond elkaar heen. Inderdaad, als in een hofdans.

Bekijk je het paneel van een afstandje, dan valt vooral de architectuur op en de soberheid daarvan. Er zijn daklijsten, classicistische ornamenten waarmee de rijke bankiers en koopmannen de gevels van hun stadspaleizen niet al te opzichtig versieren, er zijn schoorstenen, trapgevels, ramen en trapportalen. Wonderschoon steekt alles af tegen de zuivere lucht, wonderschoon weerspiegelt alles zich in het kristalheldere grachtenwater.

Natuurlijk, dit is waarom Berckheyde zo hoog staat aangeschreven als topografisch kunstenaar, want je ogen dwalen van detail naar detail, en hoe meer ze dwalen, hoe meer ze zien. Twee vogels in de lucht, een waterhoen in de gracht, nog meer verfijnde architectuur, nóg een bootje in de schaduw van de kade. En natuurlijk, dit is wat Houbraken bedoeld moet hebben, toen hij schreef dat Berckheyde ‘een levend verschiet’ schilderde. Het is alsof de wereld langzaam tot leven wordt gekust op dit kleine paneel. Net echt.

Maar het is een wereld die is gereinigd en uitgebeend, zoals Berckheydes vader de varkens en koeien in zijn Haarlemse slagerij uitbeende totdat de mooiste kogel, het mooiste haasje, het sappigste stuk vlees overbleef. Frivoliteiten op de gracht zijn weg gepoetst. De Hollandse iepen die het stadsbestuur langs de kades had geplant en die tijdgenoten deden verzuchten dat de grachtengordel wel een lustwoud leek, verwijderde Berckheyde rigoureus. En het grachtenwater op het paneel was in werkelijkheid zo vervuild en stonk zo verschrikkelijk, dat het stadsbestuur wetten uitvaardigde die het spontaan lozen van vuil in het water bestraften.

Bekijk je het schilderij nog nauwkeuriger, dan valt het ritme van kleur en vlakken op. De kavels bijvoorbeeld die nog onbebouwd zijn, heeft Berckheyde helder wit aangezet. Daardoor contrasteren ze dramatisch met de al afgebouwde huizen. In hun tweedimensionale bleekheid ogen de lege vlakken abstract, en van de weeromstuit krijgen ook de afgebouwde gevels een abstracte allure.

Realistische details verdwijnen daardoor naar de achtergrond. Wat doen ze er nog toe? Het gaat om de mathematische compositie die op de ronding van de gracht is gelegd. Daarom laat Berckheyde de iepen sneuvelen, omdat ze het zicht op de wiskundige perfectie belemmeren. Al die topografie, al dat virtuoze vertoon, alle moeite die de schilder steekt in het zo precieus mogelijk afbeelden van de rijke burgers die het fonkelnieuwe duurste deel van de stad bewonen – het is alsof ze alleen maar bedoeld zijn als afleidingsmanoeuvre.

De schilderende slagerszoon moedigt zijn kijkers aan: kijk erom heen, kijk verder, kijk achter de dingen die normaal lijken – zoals Magritte altijd zei – en verlies jezelf in het hemelsblauw, het helderwit en laat je meevoeren op het staccatoritme van de schoorstenen op de daken. En juist dit laatste geeft Gezicht op de Gouden Bocht van de Herengracht, vanaf de Vijzelstraat zijn meest raadselachtige uitstraling. De kunstenaar heeft zo precies mogelijk geprobeerd een ideale wereld te scheppen. Hij heeft juist heel goed gehoord welke herrie er om hem heen klonk. Hij heeft geroken wat voor stank er over de Vijzelgracht kwam aanwaaien. Hij heeft het afval gezien dat in de gracht dobberde. Al die zintuiglijke herrie bande hij uit.

In plaats daarvan schilderde hij een stad waar het onwerkelijk stil, schoon en heerlijk om te vertoeven is. Die stad lijkt zo op de werkelijkheid dat je alleen maar door het sleutelgat hoeft te kruipen en dan sta je er middenin.

Gerrit Adriaensz. Berckheydes ‘Gezicht op de Gouden Bocht van de Herengracht, vanaf de Vijzelstraat’ (circa 1672) is op de tentoonstelling De Meesterwerken te zien in de Philipsvleugel van het Rijksmuseum, Jan Luijkenstraat 1, Amsterdam. Dag 9-18u.

Tijdmachine

    • Lucette ter Borg