Nooit meer met veel geld over straat

Met de oprichting van de Wisselbank 400 jaar terug vestigde Amsterdam zich als financieel centrum. De tentoonstelling Kapitaal Amsterdam biedt een overzicht.

In een vitrine ligt een handgeschreven papier uit 1610, nog geen tien jaar nadat de eerste aandelen werden verhandeld in Amsterdam. Hierin verbiedt het stadsbestuur beleggers om ‘aktieën’ die ze niet hebben te verkopen. „Een verbod op short selling dus”, zegt Erik Schmitz van het Amsterdamse Stadsarchief. Precies zoals minister Bos (Financiën) in 2008 uitvaardigde toen de kredietcrisis uitbrak.

Het document is één van de vele verrassingen op de tentoonstelling Kapitaal Amsterdam over de geschiedenis van de hoofdstad als geldstad. Na de oprichting van de Wisselbank in 1609 groeide Amsterdam snel uit tot een van de belangrijkste financiële centra ter wereld. Precies 400 jaar later slaan kredietcrisis en mislukte overnames grote gaten in de financiële sector van Nederland. Dergelijke voorspoed en tegenslag zijn nauw verbonden met de geschiedenis van financieel Amsterdam.

Een hoogtepunt is bijvoorbeeld de vermaarde Louisiana Purchase van 1803, toen Napoleon de Franse kolonie van twee miljoen vierkante kilometer verkocht aan de Verenigde Staten. „Een groots moment in de Amerikaanse geschiedenis, maar hier nauwelijks bekend”, zegt Schmitz, een van de samenstellers van de tentoonstelling: „Terwijl Amsterdamse financiers een cruciale rol speelden.” Met een aandelenemissie werd in Amsterdam ongeveer de helft van de koopsom opgehaald.

Nog maar enkele jaren later beleefde Amsterdam een dieptepunt tijdens de Franse bezetting, toen er in een jaar niet één schip de Amsterdamse haven aandeed. „Pas met de opening van het Noordzeekanaal 1876 begon het herstel van Amsterdam”, zegt Schmitz. In de tussenliggende halve eeuw probeerde koning Willem I de economie op gang te brengen met de oprichting van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, een verre voorloper van ABN Amro.

Het voormalige hoofdkantoor van deze maatschappij, waarin het stadsarchief is gevestigd, is een toepasselijk decor voor de tentoonstelling. In het monumentale gebouw van de architect De Bazel, met de enorme hal, lijken rechthoekige zuilen blokken licht te verplaatsen over de ingelegde vloeren. Vooral de voormalige safe in de kelder oogt met door de enorme kluisdeuren als een tempel van het kapitaal.

In de tentoonstellingruimte zijn de muren beplakt met een grote panoramafoto van Amsterdam, waarop goudkleurige staafjes financiële instellingen markeren. Van de blokkendoos De Nederlandsche Bank, een van de eerste nationale banken in Europa, tot het pand van de Amsterdamsche Bank, een andere voorloper van ABN Amro, die als eerste bank in Nederland krediet gaf aan ondernemingen. „Dit is de topografie van het geld”, zegt Schmitz.

De topografie krijgt kleur door documenten en voorwerpen in de vitrines. Zoals een origineel aandeel van de Louisiana Purchase uit 1804, maar ook een houten rek met suikerpotjes uit 1956: een suikerstandaard. De Nederlandsche Handel-Maatschappij had enkele suikerplantages in Indië. „Met deze standaard controleerden bankbedienden de kwaliteit van de suiker”, vertelt Schmitz.

Een van de belangrijkste documenten is de recent ontdekte rekening van Michael Spinoza in een grootboek van de Wisselbank uit 1654. De rekening, die een bedrag vermeldt van 15.000 gulden, werpt volgens historici nieuw licht op de financiële nalatenschap van de vader van de vermaarde filosoof Baruch Spinoza. Dat is belangrijk, omdat een conflict over de failliete boedel van zijn vader bijdroeg aan de verstoting van Spinoza uit de Joodse gemeenschap.

De Amsterdamse Wisselbank werd begin zeventiende eeuw door het stadsbestuur opgericht op aandringen van de vele kooplieden. Rekeninghouders brachten er hun rijders en realen onder en het bedrag werd in guldens opgeschreven in een grootboek. Net als bij- en afschrijvingen, want de kooplieden maakten schriftelijk geld naar elkaar over. Zo is er een document waarop ene Isaac de Pinto de bank verzoekt tot het overboeken van 3.273,50 gulden aan Moseh Jesurun.

„De kooplieden hoefden nooit meer met grote sommen geld over straat”, zegt Schmitz. Bovendien zorgde de gulden – toen nog een fictieve munt – voor eenheid in tijd dat in de Nederlanden tientallen munten in omloop waren. Schmitz: „Veel munten voor 1609 waren niet betrouwbaar, in de zin dat de hoeveelheid edelmetaal niet overeenkwam met de waarde. Bij de wisselbank konden kooplieden de munten inleveren, die werden daar gewaardeerd en vervolgens gaven ze goede munten terug.”

De Wisselbank leverde al snel meer, modern aandoende, diensten. Zo konden bij de bank ‘wissels’, bewijzen van uitgestelde betalingen, worden verzilverd. De bank gaf ook een bankzegel uit, een papiertje met een stempel en een handtekening van de rekeninghouder, die ook in de centrale administratie voorkwam. „Zo kon het personeel de klant identificeren. Het bankzegel was dus een soort bankpas”, zegt Schmitz.

De Wisselbank leende grote sommen geld uit aan de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), die terugbetaalde als de schepen met koopwaar weer in Amsterdam waren. De Vierde Engels-Nederlandse oorlog (1780-1784) werd de VOC fataal en ook de Wisselbank. De VOC stond dus aan de wieg en het graf van de bank, met in de tussenliggende eeuwen een opbloei van het moderne kapitalisme.

Zo schreef in 1609, toen de VOC nog maar net bestond, de rijke koopman Isaac Lemaire een brief aan de raadspensionaris, waarin hij klaagde over het feit dat de VOC zo weinig deed met zijn monopolie. Schmitz: „Hij wilde zelf een Franse VOC beginnen, maar je kunt de klacht ook zien als zien als een vroege vorm van aandeelhoudersactivisme.”

Meer informatie op stadsarchief.amsterdam.nl