Majesteit, virtuele ontmoetingen zijn óók echt

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: het verschil tussen natuurlijk en gemaakt.

Koningin Beatrix is het eerste decennium van de 21ste eeuw in totale mineur geëindigd. Niet vaak was haar kersttoespraak zo pessimistisch van toon als dit jaar. „Onze samenleving wordt steeds individualistischer”, stelde ze. „Steeds minder roept de medemens bij ons solidariteit en compassie op.”

Volgens de koningin onderscheidt de hedendaagse samenleving zich vooral door anonimiteit en egoïsme: „Vroeger was er vrijwel overal burenhulp en vormde nabuurschap de basis van de samenleving. Men kende elkaar. Maar de moderne mens lijkt weinig aandacht te hebben voor de naaste. Nu is men vooral met zichzelf bezig.”

Deze sombere boodschap zal ongetwijfeld voor een deel zijn ingegeven door de aanslag op Koninginnedag, waarbij – op steenworp afstand van de koninklijke familie – acht mensen om het leven kwamen. Maar de koningin wijst zelf een verrassender reden voor haar somberheid aan: moderne communicatiemiddelen.

Zonder het internet of de mobiele telefoon letterlijk te noemen, schetst Beatrix haar beeld van de communicatierevolutie: „De moderne technische mogelijkheden lijken mensen wel dichter bij elkaar te brengen, maar ze blijven op ‘veilige’ afstand, schuilgaand achter hun schermen.” Daardoor is het „domweg, grofweg emoties uiten” gemakkelijker geworden en zijn „afstanden tussen mensen juist vergroot”.

Vooral de jongere generatie zal dit eenzijdige beeld met enige verbazing hebben aangehoord. Natuurlijk, aan de virtuele wereld zitten schaduwzijden, maar de koningin rept met geen woord over de positieve, sociale kanten ervan.

Zo worden vriendschappen onderhouden via Skype; zakelijke deals gesloten dankzij LinkedIn; nieuwe liefdes gevonden op datingssites; gemeenschappen gevormd op Facebook en Hyves. En door Twitter en de iPhone staan mensen bijna non-stop in contact met elkaar. „In welk internettijdperk leeft koningin Beatrix eigenlijk?” vroeg de 29-jarige NRC-internetredacteur Steven de Jong zich dan ook af. Om er met enig sarcasme aan toe te voegen dat uitgerekend Karst T. „geen computer had”.

Hier lijkt dus sprake van een generatiekloof. De ene generatie heeft haar leven nog grotendeels doorgebracht in een tijd dat niemand een mobieltje of e-mail had, terwijl de andere generatie niet anders weet dan dat Google Maps en Twitter voor miljoenen mensen een manier van leven zijn.

Toch wordt dit verschil in opvatting niet alleen door leeftijd bepaald. Er zijn ouderen die even ‘digifiel’ zijn als jongeren – en jongeren die even ‘digifoob’ zijn als ouderen. Een soortgelijke tweedeling doet zich dan ook voor in de filosofische en sociologische literatuur over het onderwerp – met aan de ene kant de zogenoemde technologisch optimisten en aan de andere kant de technologisch pessimisten.

De optimisten zien, zoals de naam al doet vermoeden, in moderne communicatietechnologie een enorme vooruitgang. Zij stellen dat het participatie bevordert (denk aan de Obama-campagne); dat het democratisering ondersteunt (zie de Iraanse Twitter-protesten); dat het de verspreiding en verzameling van kennis stimuleert (wisdom of the crowds). Ook benadrukken ze dat internet de wereld kleiner en toegankelijker heeft gemaakt (global village) en dat nieuws en achtergronden nu voor veel meer mensen bijna gratis beschikbaar zijn (free media).

De pessimisten zien in ieder van deze ontwikkelingen een keerzijde. Zij stellen dat de moderne communicatie juist tegenstellingen aanwakkert (hatemail; anonieme scheldpartijen); dat het anti-democratische sentimenten bevordert (censuur op Google; extremistische fora); dat het deskundigheid en betrouwbaarheid ondermijnt (stupidity of the crowds).

Het internet geeft mensen bovendien de gelegenheid zich terug te trekken in hun eigen virtuele belevingswereld, waar ze alleen nieuws en opvattingen tegenkomen die hun wereldbeeld bevestigen (closed mindness). Hierdoor ontstaan geen virtuele gemeenschappen, maar eerder virtuele getto’s – ook wel de ‘balkanisering’ van het web genoemd. Ten slotte, zeggen pessimisten, zet de gratis nieuwsvoorziening de kwaliteit en onafhankelijkheid van de journalistiek onder druk.

Deze tweestrijd is niet nieuw. Integendeel, ze kent al een eeuwenlange geschiedenis binnen de zogeheten philosophy of technology – een stroming in de filosofie die zich bezighoudt met ethische, politieke en kentheoretische vragen over technologie.

Hoewel die stroming pas echt omvangrijk werd in de 19de eeuw, zijn er al sporen van technologiefilosofie te vinden bij de Oude Grieken. Zo maakte Aristoteles (384-322 v. Chr.) als eerste een expliciet onderscheid tussen ‘het natuurlijke’ en ‘het gemaakte’ – een onderscheid dat ook tot uitdrukking kwam in het woord techne, dat ‘handwerk’ of ‘kunst’ betekende.

Deze betekenis is zeker tweeduizend jaar dominant gebleven. Wanneer men sprak over technologie – ook al werd dat woord zelf niet gebruikt – dan werd daarmee het ‘mechanische’ of ‘artificiële’ bedoeld. Hoewel de connotatie overwegend neutraal was, had het toch een negatieve ondertoon. Het ‘natuurlijke’ had in de pre-moderne tijd namelijk een zeer hoge status: mensen bewonderden de natuur of waren er bang voor. Het handgemaakte of mechanische werd dus niet per definitie beter gevonden.

Die houding veranderde echter radicaal door de Industriële Revolutie, toen de mens met machines de natuur onder controle kreeg en zo een nieuw soort macht verwierf. Technologisch optimisme werd in de 19de eeuw dan ook razendsnel gemeengoed: op grote schaal begon men te geloven in de maakbaarheid van de wereld en door technologie gedreven vooruitgang. Het leven werd er gemakkelijker, veiliger en sneller door.

Aan het begrip ‘technologie’ werden ook steeds meer dimensies toegevoegd. Men bedoelde er niet alleen het ‘mechanische’ mee, maar bijvoorbeeld ook het ‘elektrische’ en het ‘chemische’. Het woord raakte bovendien sterk geassocieerd met de verwerving van nieuwe kennis, wat de positieve klank nog versterkte.

Dit technologisch optimisme duurde zeker tot halverwege de 20ste eeuw. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg het pessimisme echter de overhand. De mens bleek namelijk met behulp van zijn technologie ook in staat tot onvoorstelbare verwoestingen. De kernbommen op Japan, de kernexplosie in Tsjernobyl, de aantasting van de ozonlaag: al deze gebeurtenissen ondermijnden het geloof dat technologie enkel vooruitgang bracht. Integendeel, het deed meer kwaad dan goed.

Vooral het gevoel van controle was tanende. Want, zoals de mens met zijn technologie eerst de natuur beheerste, zo begon de technologie nu de mens te beheersen. Haar kracht had die van de uitvinder overstegen. Tegen kernexplosies of gaten in de ozonlaag bestond bijna geen verweer.

Zo kreeg het begrip technologie wederom een nieuwe connotatie, zegt de hedendaagse Amerikaanse filosoof Leo Marx (1919) in zijn essay The Idea of ‘Technology’ and Postmodern Pessimism. Associeerde men in de 19de eeuw het woord vooral met het tastbare, machinale en praktisch toepasbare, in de tweede helft van de 20ste eeuw werd technologie steeds meer ervaren als een onzichtbare, alomtegenwoordige en daardoor bedreigende invloed. Technologie was niet langer alleen iets concreets, maar ook iets abstracts: een onbeheersbare kracht.

Er was, kortom, een nieuw soort afhankelijkheid ontstaan. Had technologie de mens eerst bevrijd van de natuur, nu was de mens geketend aan de technologie. Toen ook de personal computer zijn intrede deed (en daarmee digitale bureaucratie), werd die afhankelijkheid alleen maar groter. Dat voedde het pessimisme en bovendien een zekere angst: kon men wel ontsnappen aan deze voortschrijdende technologisering? En wat als de technologie in verkeerde handen viel?

Diezelfde bezorgdheid lijkt ook koningin Beatrix in haar kersttoespraak te etaleren. Haar pessimisme vertoont grote gelijkenis met dat uit de jaren 50 tot en met 80. Zoals destijds technologie door velen werd ervaren, zo stelt zij nu moderne communicatie voor: als iets onzichtbaars („schuilgaand achter hun beeldscherm”) en iets abstracts („afstanden zijn vergroot”) dat in verkeerde handen al snel leidt tot moreel verval.

De verbazing van de jongere generatie is niet verwonderlijk. Deze ervaart de communicatietechnologie immers precies andersom: als iets heel concreets en bruikbaars. De constatering van Beatrix dat met „virtuele ontmoetingen” ons gebrek aan wij-gevoel niet gecompenseerd kan worden omdat daarvoor „tastbare nabijheid” nodig is, verraadt bovendien het aloude Aristotelische onderscheid tussen ‘echt’ en ‘onecht’ , dat jongeren veel minder zullen maken. Voor hen zijn ‘virtuele ontmoetingen’ ook de werkelijkheid.

Daarin schuilt dan ook de ware kloof: Beatrix ziet de virtuele wereld niet als onderdeel van de realiteit, maar als een minderwaardige afgeleide ervan. Dat ze er uitsluitend negatief over spreekt is dus wel begrijpelijk, maar ook erg kortzichtig. De ‘nieuwe’ werkelijkheid heeft kwaliteiten en handicaps, net als de ‘echte’ werkelijkheid.

Ik bedoel: had Karst T. acht mensen omver gereden in het spel Grand Theft Auto, dan zou ik er in ieder geval een stuk minder somber over zijn geweest.