'Machteloos tegen dierziekten'

Tegen dierziekten als de Q-koorts kunnen bestrijders van infectieziekten niet veel ondernemen, zeggen ze. „Je weet helemaal niet wat er gebeurt in een sector als de geitenhouderij.”

Roel Coutinho, de belangrijkste bestrijder van infectieziekten in Nederland, weegt zijn woorden zorgvuldig. Toch zijn ze verontrustend. Hij erkent zich „machteloos” te voelen. Mensen worden ziek van nieuwe ziekteverwekkers van boerderijen, maar hij heeft niet het gevoel dat hij daar greep op heeft. Coutinho: „Ik denk dat er veel meer openheid zou moeten zijn over wat er precies in de veehouderij gebeurt.”

Coutinho adviseerde vorige maand de regering om tienduizenden drachtige geiten te doden wegens de Q-koorts. Geiten zijn belangrijke verspreiders van deze ziekte, waarmee dit jaar krap 2.300 mensen besmet zijn geraakt en waaraan zes mensen zijn overleden. Coutinho is directeur van het Centrum voor Infectieziektebestrijding van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven en hoogleraar epidemiologie aan de Universiteit van Amsterdam.

De Q-koorts heeft geleid tot een hernieuwd debat over de gevolgen van de intensieve veehouderij voor de volksgezondheid. Geiten worden tijdens deze feestdagen niet gedood omdat ze zelf ondraaglijk lijden, maar omdat ze als bacterieverspreider een te grote bedreiging zijn geworden voor de mens. Volgend jaar zullen ministers Verburg (Landbouw, CDA) en Klink (Volksgezondheid, CDA) de Tweede Kamer een rapport sturen over de gevolgen van de veehouderij voor de volksgezondheid.

„Vroeger zeiden we: dit soort dingen gebeurt in China, waar zo veel mensen en dieren dicht op elkaar samenleven”, zegt Coutinho over de Q-koorts-uitbraak. „Maar Nederland is het China van Europa.” Q-koorts bestaat al lang. Het was een obscure ziekte, waarmee ook in Nederland elk jaar wel een aantal mensen besmet raakten. De omvang van de huidige uitbraak is een wereldprimeur.

Achteraf gezien is deze primeur verklaarbaar. De Nederlandse geitenhouderij is de afgelopen vijftien jaar explosief gegroeid. „Als dan ergens Q-koorts uitbreekt op één of twee vierkante kilometer van een dichtbevolkte wijk, dan krijg je dus dit”, zegt Coutinho. Desondanks kwam de uitbraak onverwacht. „Opeens is in Nederland die intensieve geitenhouderij ontstaan. Dat was voor mij ook verrassend. Je weet helemaal niet wat er in die sector gebeurt.”

Dit wijst op een cruciaal probleem in de organisatie van de volksgezondheid. „We hebben een veel vroegere signalering van ongewone dierziekten nodig”, zegt Marion Koopmans, aanwezig op de werkkamer van Coutinho. Zij is hoofd van de afdeling Virologie van Coutinho’s instituut en bijzonder hoogleraar virologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. „Je moet af van het idee dat het incidenten zijn”, zegt zij over het overspringen van ziekten van dieren naar de mens.

Dieren brengen in toenemende mate nieuwe infectieziekten over op mensen, becijferden onderzoekers vorig jaar in het gerenommeerde wetenschappelijk tijdschrift Nature. Zes op de tien nieuwe infectieziekten komt van dieren – vooral van wilde dieren, maar ook van vee. Hoe dichter mensen opeen leven, des te groter de kans dat een nieuwe ziekteverwekker naar mensen overspringt. Veel dieren bij elkaar is risicofactor nummer twee – Nederland telt ruim 119 miljoen stuks vee. Het derde probleem is het intensieve contact tussen dier en mens.

We zullen daar sterk rekening mee moeten houden, zeggen Koopmans en Coutinho. „De veehouderij is niet meer weg te denken”, aldus Koopmans. Nederland is voor het ontstaan van menselijke ziekten in de veehouderij eigenlijk een proeftuin, erkent zij.

Alleen: het Centrum voor Infectieziektebestrijding is daarbij „pas in beeld als er iets gebeurt”, leggen de twee hoogleraren uit. Waarschuwen welke nieuwe infectieziekte de kop op zal steken, kunnen zij immers niet. Koopmans: „Er zijn lijsten van ziekten waarmee je rekening moet houden, maar je kunt niet één op één voorspellen.” Dus zit er maar één ding op: nauwgezet in de gaten houden of in boerderijen een ziekte uitbreekt die gevaarlijk is voor de mens. Coutinho: „Dat is bij dierziekten niet goed geregeld.”

Een belangrijk probleem, zegt hij, is de scheiding tussen volksgezondheid en diergeneeskunde. Dat laatste vakgebied staat onder toezicht van het ministerie van Landbouw. „We horen niet tijdig wat zich op boerderijen afspeelt, of daar ziekten ontstaan waarvan mensen ziek kunnen worden.”

In de menselijke geneeskunde, legt hij uit, „bestaat het besef dat infectieziektes ons allemaal aangaan.” Huisartsen, GGD en ziekenhuizen werken samen bij de bestrijding van infectieziekten, in het belang van volksgezondheid. „Bij de dierziekten zie ik dat niet. Dat moet wel komen”, zegt Coutinho. „Dierenartsen hebben geen signaleringsnetwerk waarin zij ongewone ziekte kunnen melden”, vult Koopmans aan. Zij horen en zien veel, maar kunnen die informatie nergens kwijt.

Coutinho wijst op de regels van de Wereldgezondheidsorganisatie: „Als je bij patiënten een nieuwe, onbekende aandoening ziet, moet je dat melden. Bij dierziekten is er alleen een meldingsplicht voor een vaste lijst met ziekten.”

Andere maatregelen liggen misschien voor de hand: vermindering van het aantal dieren of het verbreken van contact tussen vee en burgers. Moeten we productie van varkensvlees voor de export naar heel Europa stoppen? Moeten we afgelegen varkensflats bouwen, op de Maasvlakte? Moet de veehouderij biologisch werken?

De twee hoogleraren willen daar geen uitspraken over doen. Deels op wetenschappelijke gronden, want zulke maatregelen kunnen onverwachte effecten hebben. Ze willen weten hoe de luchtbehandeling is in megastallen, of welke parasieten wroetende biovarkens bij zich dragen. Ook om een principiële reden houden ze zich op de vlakte. Coutinho: „Wij moeten niet in een soort lobbycircuit terechtkomen. Dat de hele intensieve veehouderij niet in orde is, ga ík niet voor mijn rekening nemen.”

Wel zegt Coutinho dat mensen over die afwegingen „veel openlijker” zouden moeten praten. „Dat klimaat is de laatste tijd gelukkig in gunstige zin veranderd.” De uiteindelijke keuze tussen volksgezondheid en economische belangen is een politieke, stelt hij. „Als ik politicus was geworden, was ik volop in debat gegaan. Maar ik ben wetenschapper.”