Ineens is het monetaire sprookje voorbij, red de euro!

Na tien plezierige jaren is Euroland nu in de problemen.

Het wordt tijd dat de politieke leiders gezamenlijk orde op zaken stellen.

Was 2008 het jaar van de crisis, dan zitten we nu in de crisis na de crisis. Die gaat voor Europa en de euro misschien nog harder aankomen dan de kredietcrisis zelf. De dramatische toestand van de Griekse overheidsfinanciën legt de zwakke plekken in de muntunie bloot. Gedeelde regels genoeg, maar ze worden aan alle kanten met voeten getreden. Ongekende schatkisttekorten bedreigen de monetaire stabiliteit. De vraag duikt op: waar zit in Euroland het politieke gezag? Wie vermag in tijden van nood, buiten de regels om, onvoorziene bedreigingen van de welvaart het hoofd bieden? Of is de euro een plezierschip zonder kapitein, alleen voor mooi weer?

De euro is een raar ding: een munt zonder staat. ‘Uniek!’, ronken de folders. ‘Bizar’, menen critici. Monetair zijn de eurolanden sinds 1999 als het ware elkaars binnenland, qua economische politiek blijven we elkaars buitenland, althans deels. Tegenover de ene Europese munt en centrale bank staan zestien nationale regeringen en schatkisten. U begrijpt niet hoe dat kan? Schaam u niet, de financiële markten en de Chinezen ook niet. Is dit erg? Ja, een munt rust in laatste instantie op vertrouwen. Waar het begrip ontbreekt, heeft wantrouwen vrij spel. Ook Nederland kan hiervoor de prijs gaan betalen.

De situatie is snel gekanteld. Rampjaar 2008 werd nog afgesloten met een gevoel van voorzichtige voldoening. De financiële catastrofe die dat najaar na de val van zakenbank Lehman Brothers wereldwijd dreigde, was door creatief staatsingrijpen in Amerika en Europa afgewend. De Europese lidstaten kwamen in december 2008 een groot bestedingsplan overeen. ‘Godzijdank hebben we de euro’, verzuchtten toen veel Europese politici en beleidsmakers.

Van die stille tevredenheid is twaalf maanden later weinig over. Om de financiële bloedsomloop van hun economieën stromend te houden voerden overheden de schuldenlast enorm op. In Frankrijk bedraagt het begrotingstekort dit jaar ruim 8 procent, in Italië 5 procent, in Duitsland 3 procent (volgend jaar 6 procent), in Nederland 5 procent. In Groot-Brittannië (buiten de eurozone) bedraagt het tekort 12,5 procent, een unicum in vredestijd. De pijn is zo doorgeleid naar de toekomst. Maar het brengt al politieke en economische spanningen teweeg.

De testcase voor de muntunie is Griekenland. Daar bleek het schatkisttekort na een regeringswisseling dit najaar ineens tweemaal zo groot als geraamd: 12,7 procent. Op 10 december jongstleden was het bondskanselier Angela Merkel zelf die opperde dat de Europese Unie de fiscale last van onder te hoge schuldenlast bukkende lidstaten deels op zich zou moeten nemen. Zij sprak op een conferentie van de Europese christen-democraten in Bonn van een „gezamenlijke verantwoordelijkheid” voor de euro in geval van crisis.

Met het uitspreken van die woorden passeerde de bondskanselier een grens. Berlijn wil niet langer genoegen nemen met een opgeheven vingertje vanaf de zijlijn, maar vraagt invloed op wat Athene doet. Wie over verantwoordelijkheid begint, erkent dat de euro niet voldoende heeft aan vaste regels alleen. Dat is veelzeggend, want de hele gedachte achter de muntunie was dat zelf opgelegde regels het stelsel konden dragen.

Na tien plezierige jaren voor de euro is het komende decennium meer stormvastheid vereist. De noodzaak van gezamenlijk politiek gezag over Euroland doet zich voelen. Dit geldt naar buiten toe, naar binnen toe en jegens het eigen publiek.

Naar buiten toe, ten eerste, is politiek gezag namens de euro urgent. Maar de Europeanen kijken liever weg. Het lukt de Europeanen niet zelfs maar een slap vuistje te maken in de internationale wisselkoerspolitiek. Eind november was een hoge Europese delegatie – met o.a. de Luxemburgse premier Juncker namens de euroministers en Barroso namens de Europese Commissie – in Peking om te beargumenteren dat de Chinese yuan te goedkoop is. Zij vonden bij de gastheren geen enkel gehoor voor hun klacht. Dat is zorgwekkend, want een te dure euro benadeelt onze export en dus de werkgelegenheid. Het feit dat Euroland de monetaire dialoog tussen Amerika en China niet kan beïnvloeden kost banen in Eindhoven, Bochum of Poitiers.

Naar binnen toe, ten tweede, is er nu beweging. Euroland als geheel zoekt manieren om de eurolanden afzonderlijk in het gareel te krijgen. Wanneer Merkel van een gedeelde verantwoordelijkheid voor de Griekse situatie spreekt, bedoelt ze namelijk niet dat ze blanco cheques zal uitschrijven. Financiële bijstand voor een lidstaat heeft alleen zin als harde voorwaarden aan de hulp kunnen worden gesteld. Als ‘papa Berlijn’ de portemonnee toch wel trekt, verliest de Griekse regering elke reden haar leven ooit nog te beteren. De Europese geldschieters komen hier in een IMF-rol terecht. Ze zullen structurele hervormingen moeten afdwingen om de Griekse arbeidsproductiviteit en concurrentiepositie op peil te krijgen, dus feitelijk de Grieken onder curatele stellen. Dat is zeer ingrijpend, want daarmee wordt de economische politiek verbinnenlandst, in elk geval voor deze éne lidstaat.

Jegens het eigen publiek, ten derde, kent de euro de grootste zwakte. Op moeilijkheden zijn we als gebruikers en belastingbetalers nooit echt voorbereid. De overgang van gulden, lire, peseta of schilling naar euro werd zeker in Nederland voorgesteld als een technische operatie met vooral praktische voordelen. Handig als je in de buurlanden op reis gaat. Bezwaren van het ministerie van Financiën tegen deelname van met name Italië en Griekenland aan de euro konden uiteindelijk niet worden geconcretiseerd in een veto. Argwaan van de Nederlandse bevolking jegens mediterrane spilzucht en corruptie bleef sluimeren, en is nu officieel bevestigd. Het ergste is dat nooit is duidelijk gemaakt dat de euro de consequentie is van politieke beslissingen, van een serie deals tussen met name Duitsland en Frankrijk, waar Nederland om monetaire en geopolitieke redenen wel mee moest instemmen.

Zoals de euro niet één iemand heeft die tegen de Chinezen met de vuist op tafel kan slaan, zo ontbeert de munt ook een spreekbuis voor het eigen publiek. Het zijn de nationale regeringen die deze historische stap hebben genomen. Zij zullen hun afzonderlijke en gezamenlijke gezag moeten aanwenden om het vertrouwen van de bevolking in de munt het komende decennium overeind te houden. Dat doen niet Trichet of Barroso vanuit Frankfurt en Brussel, dat moet van Balkenende en Bos en al hun collega’s komen. Wantrouwen heerst, gevaren dreigen, dus blijven wegkijken kan niet. Het zal nog veel overtuigingskracht vergen.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof en was tot maandag columnist van NRC Handelsblad.

    • Luuk van Middelaar