Hoezo pánico? Verdwaald!

Als vrijwillig tropenarts helpt Anne Hermans indianen in de jungle van Colombia. Tweewekelijks doet ze verslag. Eerder schreef ze over haar belevenissen als co-assistent.

‘Help! Gekookte banaan, ik val!” gilt Diego, mijn Colombiaanse mede-arts, drie octaven te hoog vanaf zijn ezel. Maar Patachuma, de indiaanse verpleegkundige, negeert hem. Stoïcijns trekt hij de ezel verder over het steile pad en vervolgt zijn taalles: „Hoe gaat het? In het emberra: Bia boeka?”

We zijn met onze medische brigade te voet op de terugweg vanaf een afgelegen indianengemeenschap in de jungle van Colombia. Pablo, de stuurman van onze boot, begint ongedurig te worden. Hij werpt een neerbuigende blik op Diego. „Als jullie hier lunchen,” zegt hij, „loop ik wel vooruit.” Hij pakt zijn tas en kapmes op. „Dan maak ik de boot alvast klaar voor vertrek.”

Ik werp een blik op Pablo’s tas. Hij is niet veel groter dan de mijne. „Ik ga mee”, zeg ik resoluut. Pablo wil protesteren, maar haalt dan zijn schouders op. Euforisch huppel ik achter hem aan. Ik ben stoer, ik ben sterk. Ik lijk gelukkig in niets op die verwende Frank Goveriaanse Diego!

Pablo heeft flink de pas erin. Met moeite hou ik zijn pet in het vizier, steevast tien meter voor me. Links, rechts, over boomstammen, door stekelbosjes en modderstromen. Drie uur later ligt het pad ver achter ons. Zweet druipt langs mijn slapen. Mijn armen liggen open. Mijn bril is beslagen. „Pablo!” Zijn pet verdwijnt uit zicht. „Por aqui (hierheen)!” galmt het vanuit de verte. Hijgend sop ik zo snel ik kan achter hem aan door de steeds diepere modder, totdat plotseling mijn been muurvast zit. „Pabloow!!” Ik val voorover, mijn gezicht in de smurrie. In blinde paniek grijp ik om me heen. Uiteindelijk lukt het om mezelf omhoog te trekken, maar de laars blijft in de modder staan. Duizelig van de dorst en de honger, zie ik alleen maar groene waas. Ik veeg met mijn modderhanden over mijn bril en de waas wordt zwart. „Pabloooww!!” Woedend trek ik mijn laars uit de modder. En terwijl ik mijn drijfnatte voet erin prop, verschijnt zijn geërgerde gezicht in beeld. „Shht, Anna. Que pánico.”

‘Paniek?’ herhaal ik dreigend. Het liefst zou ik hem ter plekke met mijn ogen vermoorden. „We zijn verdomme in een jungle vol guerrilla en slangen verdwááld, Pablo, zonder antislangengif en zonder sateliettelefoon! En jij doet…” „Rustig, Anna. Ik weet precies de weg. We snijden gewoon af.” En hij verdwijnt weer tussen de begroeiing.

Ik heb geen keus. Als een boze bulldozer stamp ik achter Pablo aan, dwars door modder en stekels. „Wat nou pánico? Autoritaire non-reflectieve kutcolombiaan!” scheld ik in het Nederlands voor me uit. „Je móet toegeven dat we verdwaald zijn. Het geeft niet dat je een fout maakt, maar je móet het toegeven!” De woede geeft me kracht. „Je móet het toegeven”, is de mantra van mijn snuivend gestamp. Het gesprek dat we straks zullen voeren, oefen ik alvast twintig keer met mezelf, in steeds krachtigere woorden.

„Bia boeka?” Geschrokken kijk ik op. Een indianenmeisje met een kind op de arm, een lapje stof als rokje, trippelt me voorbij. Ze helpt me over een boomstam en kijkt me dan bezorgd aan. „Hoe gaat het?” herhaalt ze, terwijl ze een bolletje rijst uit haar rokje vist en het in mijn hand stopt. Verward staar ik naar het meisje. In haar ogen zie ik de oorlogsjungle, die ze haar leven lang niet zal verlaten. Ze zal niet naar school gaan. En de zeven ondervoede kinderen die ze zal baren, zie ik ook in haar ogen.

En tegelijkertijd zie ik in haar ogen haarscherp de mokkende Europeaan, die met opgeblazen, bezweet, wit hoofd en modderige bril voor haar staat. „Pika! (Het gaat goed)” lach ik beschaamd en geef haar snel het bolletje rijst terug.

    • Anne Hermans