China moet nu drie problemen te lijf

In het komende Jaar van de Tijger zal economische grootmacht China drie grote problemen tegenkomen: inflatie, protectionisme en ongelijkheid.

Voor China was 2009 een belangrijk jaar. De Volksrepubliek werd zestig en Peking wist een economische ramp af te wenden met een ongekend stimuleringspakket van 4 biljoen yuan (410 miljard euro). Alles wijst erop dat ook 2010 niet onopgemerkt voorbij zal gaan. Als alles volgens plan verloopt, zal het bruto binnenlands product van China het op één na grootste ter wereld worden. Maar het kan ook heel goed tegenzitten.

Het komende Jaar van de Tijger zal drie grote problemen kennen: inflatie, protectionisme en ongelijkheid.

Eén soort inflatie heeft zich al aangediend. Dankzij zo’n 1,01 biljoen euro aan door de overheid bedongen bankkredieten, gekoppeld aan een toevloed van speculatief kapitaal uit het buitenland, zijn de prijzen van financiële bezittingen als aandelen en vastgoed in 2009 geëxplodeerd. Peking boekte dit jaar een recordbedrag aan grondverkopen en Hong Kong een recordbedrag aan de verkoop van woonruimte. De eerste tranche aandelen die op de nieuwe beurs voor groeifondsen van Shenzhen werd verhandeld, vertweevoudigde op de eerste handelsdag in waarde.

Hoewel de prijzen van financiële bezittingen de pan uitrijzen en de kosten van grondstoffen als olie en ijzererts historisch gezien hoog blijven, stijgen de detailhandelsprijzen nauwelijks. Veel centrale banken en overheden worden met deze verwarrende situatie geconfronteerd, en geen van hen heeft een voor de hand liggende oplossing klaarliggen. Een renteverhoging kan consumenten en producenten relatief veel geld kosten, waardoor de groei tot een mimimum kan worden teruggebracht. Volgens Peking zou dat politieke zelfmoord zijn.

In de gedeeltelijk centraal geleide Chinese economie hebben de autoriteiten hun toevlucht genomen tot kredietbeperkingen, in een poging de monetaire druk te verzachten. Maar dit beleid zou kunnen mislukken. De sterke banden tussen banken en lokale overheden betekenen dat nieuwe kredieten niet altijd de meest productieve kanalen bereiken. De kredietdoelstelling voor 2010 is 25 procent lager. Wellicht twee derde van de verstrekte fondsen zal worden gebruikt voor halfvoltooide infrastructuurprojecten, zodat er weinig voor nieuwe investeringen overblijft.

Als een strakker monetair beleid de groei te scherp vertraagt, zou de regering kunnen besluiten dat een of ander soort inflatie het minste van twee kwaden is. Maar monetaire instabiliteit brengt haar eigen politieke en economische risico’s met zich mee.

Protectionisme zou een ander probleem kunnen zijn. In 2009 staken handelsschermutselingen de kop op – de VS stelden een invoertarief in voor Chinese autobanden, en de Chinezen deden hetzelfde voor Amerikaans en Russisch staal. Dit zijn uitzonderlijke gevallen, maar de lage yuan kan worden gezien als een oneerlijke exportsubsidie, die de Amerikaanse consument ertoe aanzet te veel te gaan besteden.

Sommige economen betogen nu al dat de Chinese lamlendigheid op valutagebied een rechtvaardiging is voor invoertarieven, omwille van het handelsevenwicht. Misnoegde Amerikaanse politici zouden zich daarbij kunnen aansluiten, vooral als de werkloosheid, die op 10 procent staat, blijft stijgen. Zij kunnen aanvoeren dat de Chinese productie de opwarming van de aarde dreigt te versnellen. Waar of niet, handelsbeperkingen kunnen de Chinese ‘exporteconomie’ ernstig verstoren.

Het derde risico – ongelijkheid – is het minst zichtbaar, maar juist daarom misschien wel het gevaarlijkst. Het is een echt probleem. De combinatie van de snel oplopende prijzen van financiële bezittingen en de nauwelijks stijgende lonen moet wel leiden tot een verbreding van de kloof tussen rijk en arm. De officiële werkloosheid van 4 procent laat naar schatting 150 miljoen migrantenarbeiders buiten beschouwing, terwijl minder dan 70 procent van de afgestudeerden daadwerkelijk een baan vindt.

De grootste angst van de regering is dat een werkloze en ontevreden bevolking voor onrust zal gaan zorgen. Uit een recent onderzoek van de Academie voor Sociale Wetenschappen van Zhejiang blijkt dat 96 procent van de ondervraagden „een hekel heeft aan de rijken”. Het is geen toeval dat de welvaartskloof in de provincie Xinjiang, waar in 2009 rellen uitbraken, een van de grootste van heel China is.

De beschikbare cijfers duiden erop dat de ongelijkheid in China in een alarmerend tempo toeneemt. In 1983 bedroeg China's ‘Gini coëfficient’ (een maatstaf voor de ongelijkheid) 0,28, ruwweg hetzelfde als in Zweden, Duitsland en Japan. In 2007 schatte de Aziatische ontwikkelingsbank deze meter op 0,47 – hetgeen dichterbij het cijfer voor Argentinië of Mexico ligt. De versnellingsfactor is ongekend.

China zou deze drie problemen waarschijnlijk wel stuk voor stuk kunnen aanpakken. De inflatie kan in bedwang worden gehouden met behulp van de onder overheidscontrole staande banken. Het protectionisme kan met behulp van diplomatie worden ingedamd, en de onrust kan met geweld de kop worden ingedrukt. De afgelopen dertig jaar – waarin de aanhoudende groei van de Chinese economie alle records heeft gebroken – vormen een triomf van de geest. Maar als al deze drie problemen zich tegelijk aandienen, zou het Jaar van de Tijger wel eens een hevig jaartje kunnen worden.

Vertaling Menno Grootveld

Voor meer commentaaruit Londen: www.breakingviews.com