Angstige momenten

Mijn oudste herinnering dateert uit 1951 of daaromtrent. We rijden in een open jeep ’s avonds laat over een slingerende weg door het bos. Opeens bestrijken de lichtbundels een groepje Papoea’s. Abrupt stopt mijn vader de auto en stapt uit. Mijn moeder begint hysterisch te roepen: „Niet doen, niet doen. Kom terug!”

Een stuk of zes mannen staan bij een jongen die op de grond zit. Hij heeft alleen een versleten korte broek aan en maakt een zacht jankend geluid. Van dichtbij is te zien dat een van zijn knieën wit af steekt tegen de rest van zijn lichaam.

Een wond tot op het bot. De mannen om hem heen hebben stenen in hun handen, sommigen een stok. Mijn vader verordonneert de achterbank vrij te maken. Tegen de protesten van mijn moeder in draagt hij de jongen naar binnen. De Papoea jongen ruikt naar ranzige boter en angst. Doodsangst. Mijn moeder kokhalst. We gaan eerst langs het hospitaaltje en dan naar huis.

De jongen vertelt dat hij is verdwaald en per ongeluk in het gebied kwam van een dorp waarmee zijn dorp ruzie heeft. Op Nieuw Guinea betekent ruzie meteen ‘perang soekoe’, stammenstrijd. De vijandige dorpelingen hebben stenen naar hem gegooid. Als we later waren gekomen, was hij afgemaakt.

Mijn moeder heeft zo vaak levensbedreigende situaties meegemaakt, dat haar enige reflex nog vluchten is.

Ze werkte op Java als secretaresse bij de inlichtingendienst van het KNIL. Daar kreeg ze foto’s te zien van massagraven met lijken van door ‘peloppors’ doodgemartelde Hollanders, Indo’s en Chinezen. Ze heeft zich uit de voeten moeten maken voor menigten razende jonge Javanen met kapmessen en bamboesperen.

Tot ver in de jaren zeventig stond er een fiets in de achterkamer in Den Haag: „Voor als ik weer moet vluchten”.

Mijn vader werkte al een hele tijd en met veel plezier met Papoea’s. Hij toonde geen enkele angst en heeft niet eens zijn karabijn mee uit de jeep genomen.

Kort na het incident met de Papoea jongen gaan we naar Nederland.

We komen in Scheveningen terecht in een buurt met streng gelovige mensen. Op een zondagochtend wordt gebeld. Mijn vader trekt de deur open.

Beneden staat een vertegenwoordiger van een kerkgenootschap. „Zijt gij bereid te sterven?” roept hij naar boven het trapgat in. Met een van angstverstikte stem antwoordt mijn vader „Nee! Nee!”

Mijn moeder mag dat verhaal graag vertellen.

Dat vindt zij dan weer vermakelijk.

    • Hans Moll