Zdjelar vangt de doodgewone menselijkheid

Tentoonstelling Katarina Zdjelar, Parapoetics. T/m 7 februari in Tent, Witte de Withstraat 50, Rotterdam. Di. t/m zo. 11-18u. Inf. www.tentrotterdam.nl

Meteen is er die subtiele ironie. De tentoonstelling Parapoetics van Katarina Zdjelar opent met de korte film Shoum waarin we zien hoe twee mannen, die het Engels duidelijk niet beheersen, zich de tekst proberen eigen te maken van de jaren tachtig-klassieker Shout van Tears for Fears. De mannen blijven buiten beeld, maar we zien en horen hoe ze steeds een stukje van het nummer afdraaien en de tekst fonetisch opschrijven. Daarna probeert een van hen die te zingen. Alleen: dat gaat dusdanig mis (zelf dacht ik aanvankelijk naar Kiss van Prince te luisteren) dat het geheel zowel pijnlijk als hilarisch wordt – en zelfs wat sarcastisch als je de therapeutisch-optimistische tekst van Shout („Let it all out!”) ook nog even in aanmerking neemt.

Zo lost Zdjelar haar belofte meteen in. De jonge Servisch-Rotterdamse kunstenaar (1979) wordt al een tijdje geroemd omdat ze zo goed in staat zou zijn de botsingen tussen verschillende culturen en talen in beeld te brengen. Voorlopig beleefde die roem een eerste hoogtepunt op de laatste de Biënnale van Venetië, waar Zdjelar, ondanks haar jeugdige leeftijd, het Servische paviljoen mocht vullen. Dat deed ze overtuigend: niet alleen vertoonde ze het zeer korte There is No Is waarin een Aziatisch uitziend meisje er ondanks herhaald oefenen niet in slaagt de naam ‘Zdjelar’ uit te spreken (wat volstrekt begrijpelijk is – daar heb je die ironie weer). Werkelijk indruk maakte ze echter met Everything is Gonna Be. Daarvoor vroeg ze een Noors amateurkoor de klassieker Revolution van de Beatles te zingen. Dat uitgangspunt klinkt misschien wat merkwaardig, de film was geweldig: de combinatie van die intens vriendelijke Noren, de revolutionaire strekking van het lied en de soms onnavolgbare tekst („But if you want money for people with minds that hate”) liet je als toeschouwer meteen ronddobberen in een merkwaardig begripsvacuüm. Alleen: daar was het voor de verandering eens niet koud of mistroostig, maar bijna gezellig – daar zorgden die blozende Noren en de harmonieuze halleluja-uitvoering van het nummer wel voor. Everything is Gonna Be was kortom ontregelend en prikkelend, zo prikkelend zelfs dat het een van de weinige Biënnale-werken was die nog lang door het hoofd bleef spoken.

Nu, op Zdjelars eerste grote overzicht, is Everything is Gonna Be de afsluiter en dat is terecht, want het is nog steeds haar beste werk. Tegelijk bewijst Zdjelar echter in de acht films tussen Tears for Fears en de Beatles dat ze zich op een indrukwekkende manier aan het ontwikkelen is. Inderdaad: taal, communicatie zijn belangrijk in haar oeuvre, maar het is veelzeggend dat de werken die in dat opzicht het ondubbelzinnigst zijn, het minst weten te boeien. Zdjelar is namelijk veel beter als ze de sociologie voorbij gaat en cultuur, geheugen en doodgewone menselijkheid weet te vangen. Dat geldt bijvoorbeeld voor In Unison waarin een vrouw vol overgave een lied zingt dat wij niet kunnen horen, maar die door Zdjelar zo wordt gefilmd dat je dat wel graag zou willen. Nog beter is A Girl, the Sun, an Airplane Airplane, waarvoor Zdjelar een aantal Albanezen vroeg op te sommen welke Russische woorden ze zich nog herinneren – de taal die ze op school moesten leren, maar nu niet meer nodig hebben. De moeite die dit kost, de verbazing en lichte gêne die de Albanezen overvalt is pijnlijk, maar mooi – en net als bij Shoum zie je meteen dat de film raakt aan zaken als tijd, herinnering, macht, maar ook aan humor. Dat Zdjelar dat weet te bereiken, met zo weinig ingrepen, zegt veel over haar grote talent.

    • Hans den Hartog Jager