Terrorist kiest vaker voor ongebruikelijk explosief

Terroristen gebruiken nieuwe springstoffen. Dat stelt nieuwe eisen aan de apparatuur die explosieven moet opsporen.

A full body scan is pictured on a computer screen at Manchester Airport in Manchester, north-west England, on October 13, 2009. The scanner works by bouncing x-rays off an individuals skin to produce an outline of the person's body which is then used to detect concealed, potentially dangerous objects. The image is then transmitted to a remote security officer who has no visual or verbal contact with the area where the machine is located. AFP PHOTO/PAUL ELLIS AFP

De injectiespuit die de Nigeriaan Abdulmutallab probeerde leeg te spuiten in de poedervormige springstof PETN bevatte volgens persbureau AP een vloeibaar explosief op basis van glycol. Die zijn er in zo’n vijf verschillende soorten. De glycoldinitraten zijn olieachtige stoffen die uiterst schokgevoelig zijn.

Daarmee is waarschijnlijk geworden dat Abdulmutallab het glycol als ontsteker (detonator) van zijn PETN wilde gebruiken. Toepassing van twee of drie verschillende chemische stoffen in één explosief is heel gangbaar. De gang van zaken onderstreept nog eens dat terroristen de techniek van explosievenfabricage volledig beheersen en steeds vaker ongebruikelijke springstoffen inzetten.

Een ander verontrustend gegeven is dat er maar heel weinig explosief nodig is om een gat te slaan in de romp of de vloer van een passagiersvliegtuig, al zat Abdulmutallab met zijn 80 gram PETN waarschijnlijk aan de ondergrens. Luchtvaartautoriteiten lijken ervan uit te gaan dat een serieuze dreiging pas boven 85 gram explosief begint. Dat is af te leiden uit de ‘three-ounce container rule’ die zij in 2006 invoerden. Vliegtuigpassagiers mogen vloeistoffen en gels alleen in verpakkingen van minder dan 100 milliliter meenemen.

Maar een vloeibaar explosief als nitroglycerine kan al in lagere hoeveelheid levensgevaarlijk zijn. De terrorist Ramzi Yousef wist in 1994 een gat te slaan in de vloer van een Filippijnse Boeing 727 met niet meer nitroglycerine dan in een flesje contactlensvloeistof paste. Anderzijds is een gat in vloer of romp niet altijd catastrofaal. In 1997 wist een Braziliaanse Fokker 100 veilig te landen met een gat van twee meter, aangebracht door 200 gram explosief. Ook de Filippijnse Boeing 727 verongelukte niet.

Weinig geruststellend is de lijst ‘commercial airliner bombings’ op aerospaceweb.org die voor de afgelopen zestig jaar ruim tachtig bomaanslagen opgeeft. De kwade kansen zijn flink afgenomen, maar toch wordt de laatste decennia gemiddeld eens per jaar een bomaanslag op een vliegtuig gepleegd.

Inmiddels is een veelheid aan technieken ontwikkeld om explosieven in bagage en kleding van vliegtuigpassagiers op te sporen. Het onderzoeken van de afgegeven bagage is nog het eenvoudigst, omdat daarbij zonder beperking gebruik kan worden gemaakt van röntgen-, neutronen- en/of gammastraling. Het tijdschrift Signal Processing gaf in 2003 een overzicht van de laatste explosieven detectie systemen (EDS). Bij het huidige reizigersaanbod is er gemiddeld 6 seconde voor het onderzoek van één stuk bagage.

Explosieven verraden zich meestal door aanwezigheid van het element stikstof in combinatie met relatief veel zuurstof en een beperkte hoeveelheid koolstof. Bijna alle klassieke hoog-explosieve stoffen (TNT, PETN, RDX, HMX, nitroglycerine en vele andere) bevatten stikstof, meestal zelfs opgenomen in dezelfde chemische groep. Neutronen kunnen stikstof activeren en aanzetten tot het uitzenden van een karakteristieke straling die makkelijk te detecteren is. Omdat ook veel onschuldige stoffen stikstof bevatten wordt tegelijk ook op zuurstof en andere elementen gescand. Ook met gammastraling kan selectief naar aanwezigheid van stikstof gezocht worden.

Ongelukkig genoeg zijn het afgelopen decennium ook springstoffen ontwikkeld waarin geen stikstof voorkomt. Het beruchte TATP (‘acetonperoxide’), dat veel werd gebruikt bij Palestijnse zelfmoordaanslagen, is daarvan een voorbeeld. Dit stelt nieuwe eisen aan de apparatuur.

De handbagage van passagiers wordt meestal alleen met röntgenstraling gescand. Daarbij kunnen explosieven niet op grond van hun chemische samenstelling, maar uitsluitend op hun vorm en dichtheid worden herkend. Batterijen en bedrading voor elektrische ontstekers worden makkelijk gevonden als het scannend personeel tenminste zijn concentratie niet verliest – wat in praktijk een groot probleem is. Maar Abdulmutallab en shoe bomber Richard Reid hebben laten zien dat explosieven in principe ook zonder elektriciteit tot ontploffing zijn te brengen.

De passagier zelf stapt door een detectiepoortje dat uitsluitend reageert op metalen. Die veranderen het opgewekte elektromagnetisch veld door middel van inductie en wervelstromen. Zo worden wapens gevonden, maar niet explosieven. Of die makkelijker worden getraceerd met de op millimeter radiogolven werkende ‘body scans’ die nu mogelijk versneld worden geïnstalleerd, is de vraag. Ook deze scans, eigenlijk een soort radarinstallaties, detecteren alleen op vorm en dichtheid. De terrorist die kneedbare (met was of plasticine gemengde) explosieven heeft, kan die misschien onopgemerkt in dunne platen met zich meevoeren.

Waarschijnlijk worden explosieven het makkelijkst gevonden door detectie van de dampen die ze bijna altijd afgeven. Honden weten die goed te herkennen. In de VS zijn ‘puffer machines’ in gebruik die met kleine luchtstootjes lucht uit de kleding van de passagiers kloppen en de ontsnapte gassen analyseren met behulp van zogeheten gaschromatografie.

    • Karel Knip