Niet alleen de rechter kan straffen

Het is niet waar dat slechts 1,25 procent van de delicten wordt bestraft, stellen Erik Leertouwer, Frans Leeuw en Paul Smit. Zo slecht is het niet in onze rechtsstaat.

In zijn artikel ‘Wie na geweld aangifte doet wordt dubbel gepakt’ (Opinie & Debat, 12 december) stelt Paul Andersson Toussaint dat „slechts 1,25 procent van alle delicten wordt bestraft’’. Toussaint hanteert hier de strikte interpretatie waaraan ook de door hem geciteerde Docters van Leeuwen refereerde, namelijk dat er pas echt wat gedaan is met een delict, als de dader voor de rechter is gebracht.

Uiteraard is het cruciaal dat politie en justitie reageren, wanneer mensen delinquent gedrag vertonen. Maar in Nederland kunnen daders wel degelijk bestraft worden zonder bij een rechter te zijn geweest. Haltmaatregelen, politietransacties, transacties van het openbaar ministerie (OM) en taakstraffen vormen een substantieel deel van de sancties die in Nederland aan daders opgelegd worden.

Het algemene beeld dat Toussaint schetst van een „erbarmelijke staat van de rechtsstaat” waarin „niets gebeurt”, strookt niet met de werkelijkheid. De (jaarlijkse) slachtofferenquêtes laten zien dat slachtofferschap in de laatste jaren omlaag gaat, dat veiligheidsgevoelens stijgen, dat vertrouwen in de politie internationaal vergeleken hoog scoort en dat de tevredenheid met de politie toeneemt. Dit zijn geen tekenen van erbarmelijkheid, al is elk incident dat deze op brede gegevensverzameling gebaseerde uitspraken tegenspreekt, er zonder meer een te veel.

Het beeld dat Nederland permissive zou zijn, is wat betreft strafklimaat evenmin correct. Uit de publicatie Criminaliteit en Rechtshandhaving 2008 (WODC/CBS) blijkt dat Nederland juist een steeds strenger strafklimaat kent, een klimaat dat strenger is dan in onze buurlanden. Zo krijgt in Nederland 75 procent van de verdachten een sanctie van het OM of de rechter, wat hoog is in vergelijking met de meeste andere landen. Vergeleken met onze buurlanden kent Nederland een hoog percentage gevangenisstraffen, vooral bij de jeugd. Opvallend is ook de toename van het aantal gevangenen per veroordeelde tussen 1995 en 2006. Verder kent Nederland een lager percentage boetes en taakstraffen dan de buurlanden. Bovendien gaat de strafrechtelijke recidive voor het eerst in jaren omlaag, zoals de WODC-recidivemonitor van begin december laat zien.

Dit is meer dan slechts ‘cijfergemillimeter’. Ten eerste is het produceren van empirische evidentie van belang – al was het maar omdat kabinetsdoelstellingen op het gebied van afname van recidive in cijfers zijn vervat. Ten tweede is het wijs om cijfers serieus te nemen. Betrouwbare cijfers, verkregen op grond van slachtofferenquêtes, opsporingscijfers en internationaal vergelijkend onderzoek, zijn cruciaal voor een zorgvuldig debat over criminaliteit. Minstens zo wezenlijk zijn vragen naar de effectiviteit van strafrechtelijke interventies: onder welke condities werken ze, voor hoe lang en tegen welke kosten?

Tot slot zijn er ook andere indicatoren die het beeld van de ‘erbarmelijkheid van de rechtsstaat’ onderuithalen. Een onafhankelijke Erkenningscommissie die toetst of justitiële interventies effectief zijn, een nationaal register voor gerechtelijk deskundigen dat in de maak is, en een Nederlands Forensisch Instituut dat een paar jaar geleden nog onder vuur lag, maar in staat is gebleken veel van de problemen snel terug te dringen.

Daar komt bij dat OM en rechters, geconfronteerd met kritiek op opsporingsonderzoeken en gerechtelijke dwalingen, bereid zijn tot zelfonderzoek en tot het ondergaan van externe evaluaties. Openheid, transparantie, beschikbaarheid en gebruik maken van resultaten uit onderzoek zijn kenmerken die niet bij het woord ‘erbarmelijk’ passen.

Frans Leeuw is directeur van het WODC (Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum) van het ministerie van Justitie. De beide andere auteurs zijn werkzaam bij het WODC.

Lees het artikel van Toussaint na op nrc.nl/opinieblog