Laatste loodjes (2)

Ze was verkouden, mijn vrouw, nou ja, wie was dat niet?

Mijn indruk is dat de natuur bezig is op een meedogenloze manier wraak te nemen op de hype rond de Mexicaanse griep. Iedereen is ziek, of bezig het te worden. Wij wilden toch zo graag alles onder controle hebben? Die grapjas uit Mexico zouden we wel even klein krijgen.

Daarvoor moet je een hypermoderne gezondheidszorg hebben met deskundigen die elkaar in talkshows voortdurend tegenspreken en een minister die graag een daadkrachtige indruk wil maken, zelfs als hij daarvoor iedereen plat moet spuiten die ervoor in aanmerking wil komen – zo goed als iedere Nederlander dus.

Als we een parlementaire enquête zouden houden naar de Mexicaanse griephysterie, zouden we eindelijk weer eens onbekommerd kunnen lachen.

Nooit zal ik het moment vergeten waarop ik van de assistent van mijn afwezige huisarts mijn tweede prik kreeg.

„Het is eigenlijk niet nodig”, zei ze.

„Hoezo?” vroeg ik. Ze wees op een door de huisarts getikte brief die op de hoek van zijn bureau lag.

Er stond in dat gezonde volwassenen – ik dus – geen tweede prik nodig hadden.

„Waarom hoor ik dat nu pas?” vroeg ik. Ze knikte en dreef de injectienaald in mijn bovenarm.

Het was er niet van gekomen. „Maar ik zal hem niet nemen”, voegde ze er nog snel aan toe.

Denk niet dat mijn huisarts alleen stond in zijn late scepsis. In Trouw zei onlangs zijn collega Hans van der Linde uit Capelle aan den IJssel over de tweede prik: „Er is voor honderden miljoenen euro’s over de balk gegooid. Er zijn voor iedere Nederlander griepvaccins ingekocht, louter op grond van de theorie dat het virus wel eens gevaarlijk zou kunnen worden. Maar in het verleden is dat ook nooit gebeurd, ook niet bij SARS en vogelgriep.”

Voor de huisartsen was het wel profijtelijk geweest, rekende hij voor. De gemiddelde praktijk verdiende netto al gauw een mille of tien aan de injecties. Ja, dan zou ik ook niet meer protesteren.

Maar terug naar mijn vrouw, die we niet te lang in de kou mogen laten staan.

Want ze heeft er ook bronchitis bij gekregen. Ik ken die kwaal, omdat mijn broer er in zijn jeugd veel last van had.

„Piep je?” vroeg ik meteen deskundig.

„Ja, ik piep.”

Ik had niet verwacht dat we na zoveel jaren huwelijk nog tot zulke opzienbarende dialogen in staat waren.

Het was extra vervelend voor haar omdat ze in deze tijd van het jaar altijd met een Florence Nightingale-achtige toewijding langs de ziekbedden in kringen van familie en vrienden gaat.

Gelukkig heeft ze voorlopig haar handen vol aan mij. Ik kreeg opeens een geheimzinnig virus dat een, twee dagen lang misselijkheid en ander ongerief veroorzaakt. De man van mijn broodjeszaak had er ook veel last van gehad. „Ik zat achter de zaak de hele dag op de wc”, zei hij me.

Ik had het liever niet gehoord, met al die Ardenner paté en schouderham vlak voor hem op de toonbank.

„Je stopt toch wel even met je stukjes”, zei mijn vrouw.

„Maar ik ben net een serie begonnen! Ik kan er toch niet boven zetten: ‘Abrahams stopt even. Hij moet braken?’”

Wordt dus vervolgd.