Kunst die de ogen niet opent, maar sluit

Edward Burtynsky fotografeerde meer dan tien jaar lang de impact die olie heeft op het aardse bestaan.

Het werk leunt zwaar op twee gedachten.

De Canadese fotograaf Edward Burtynsky heeft onmiskenbaar de tijdgeest mee. Voor Oil, zijn nieuwste project, fotografeerde hij meer dan tien jaar lang de impact die olie heeft op het aardse bestaan. Dat was natuurlijk een geweldig idee, vooral omdat er een forse discrepantie zit tussen de invloed en betekenis die olie op de wereld heeft en de mate waarin het spul in het dagelijks leven zichtbaar is – wie niet zelf de olie in zijn auto ververst zal er zelden een druppel van aanschouwen.

Precies in die kloof, dat gat, ligt dus een mooie rol voor een fotograaf, en die is alleen maar belangrijker geworden naarmate het collectieve klimaatbewustzijn de afgelopen jaren toenam – alsof Huis Marseille deze tentoonstelling speciaal heeft georganiseerd ter gelegenheid van de Kopenhagen-conferentie. En inderdaad: ‘Burtynsky (zet) ons aan na te denken over de vraag hoe de wereld er uit zal zien als de fossiele brandstof op is.’

Maar is dat wel zo? Het opmerkelijke aan Burtynsky’s werk is namelijk dat het zwaar leunt op twee gedachten. Enerzijds stelt hij een sociaal en maatschappelijk relevant onderwerp aan de orde, maar hij wil ook mooie foto’s maken. Zo reisde Burtynsky de hele wereld over (grappen over zijn eigen olieafhankelijkheid kunnen er niet af) om plekken te fotograferen waar de impact van olie goed is te zien, van Arizona en Californië in de Verenigde Staten (oliewinningsgebieden) tot Shanghai, Azerbajdzjan en Bangladesh. Hij toont plaatsen van grootverbruik (snelwegen, autoraces) maar ook de plekken waar de resten van het olieverbruik worden verwerkt, zoals een scheepswerf in Bangladesh waar oude schepen worden afgebroken. En inderdaad: als je erover nadenkt is dat allemaal tamelijk vreselijk – de gedachteloosheid, het afval, de vernietiging, de onomkeerbaarheid.

Alleen, het is sterk de vraag of Burtynsky je bij dat nadenken helpt. Want hoe indringend of veelzeggend de plaatsen ook zijn die hij fotografeert, steeds fietst daar de esthetiek tussendoor.

Burtynsky noemt zichzelf niet voor niets liever kunstenaar dan fotograaf: hij gebruikt zijn beladen onderwerp vooral om kunst te maken. Daarbij plaatst hij zichzelf nadrukkelijk in de traditie van Andreas Gursky, de Duitse fotograaf die in het midden van de jaren negentig doorbrak met adembenemende larger than life-foto’s waarin hij de werkelijkheid betrapt op vormprincipes die we vooral kennen uit de schilderkunst: ritmes in stratenpatronen, atmosferische perspectieven aan de horizon, mensenmenigten die in kleurvlakken uiteen vallen.

Daarbij wist Gursky tegelijk haarfijn ieder gevoel van platte esthetiek te vermijden – en dat is precies waar het mis gaat bij Burtynsky. Deze gebruikt in zijn foto’s typisch Gurskiaanse principes: vliegtuigen die in een oneindig strak gelid lijken opgesteld, een snelweg die als een wellustige krul door het landschap golft. Alleen: die principes hebben niets te maken met zijn verontrustende onderwerp. Sterker nog, ze leiden daar alleen maar van af.

Wie Burtynsky’s werk bekijkt ziet mooie, gelikte, zeg maar gerust geile foto’s (ondergaand zonnetje hier, kleurcontrastje daar) waarvan de vorm echter helemaal niets zegt over het onderwerp dat de fotograaf zegt aan te kaarten. Natuurlijk, je hoeft geen lelijke foto’s te maken om een maatschappelijk relevant onderwerp aan de kaak te stellen, maar Burtynsky’s ecokitsch is het andere uiterste: zijn esthetiek en zijn missie botsen zozeer dat je je serieus gaat afvragen of dat hele vervalverhaal geen excuus is om zijn foto’s van een dosis hippe maatschappelijke betrokkenheid te voorzien. Uiteindelijk opent Burtynsky geen ogen, hij sluit ze alleen maar. En daar is behalve hijzelf niemand bij gebaat.

Tentoonstelling

Edward Burtynsky: Oil

T/m 28 februari in Huis Marseille, Amsterdam. www.huismarseille.nl