Het geheim van bakpoeder

Het rare van kerstgebakken is dat ze zo zwaar zijn. Kerstbroden wegen kilo’s en zijn heel machtig, kerststaven zitten bomvol amandelen (als ze niet bomvol witte bonen zitten, maar dat is nauwelijks lichter) en Christmaspudding met brandybutter is goddelijk, maar vooral na een maaltijd die heeft bestaan uit wat blaadjes sla.


Dus nu de Kerstdagen voorbij zijn en we genoeg tulband hebben gegeten, schoot me ineens een taart te binnen – niet zelf verzonnen hoor, hij is van de domestic godess – die niet echt moeilijk is en die zo spectaculair oogt dat-ie wel moeilijk lijkt, en die bovendien heerlijk is zodat je wel gek zou zijn als je ‘m niet maakte, nu het toch vakantie is.

Oh, hij is zo mooi en zo lekker.

De voorschriften zeggen dat je én bakpoeder én wijnsteenzuur én dubbelkoolzure soda moet gebruiken. Ik begrijp eerlijk gezegd niet helemaal goed waar dat voor dient, ook niet na enige studie. Bakpoeder bevat natriumbicarbonaat (= dubbelkoolzure soda oftewel zuiveringszout) en een zuur om te bewerkstelligen dat het deeg rijst tijdens het mengen en nog een keer tijdens het bakken. Misschien is er voor een extra halve theelepel dubbelkoolzure soda gekozen in plaats van voor meer bakpoeder omdat het beslag citroensap bevat, dat reageert met de soda zodat er geen extra zuur nodig is? Meer kan ik niet verzinnen. Maar ik denk zomaar dat als iemand geen dubbelkoolzure soda in huis heeft en het gewoon met 1½ theelepel bakpoeder doet, er ook niet zoveel aan de hand is.

Natuurwinkels verkopen over het algemeen wijnsteenbakpoeder, dan is het wijnsteenzuur al gemengd met natriumbicarbonaat. Enfin. Ik zet het erbij omdat het erbij staat en je weet nooit of het ergens goed voor is, maar zonder wijnsteenzuur door het eiwitschuim gaat het ook.

En dan nog iets: lemoncurd. Dat kun je gewoon in een potje kopen bij de beter gesorteerde jamhandel (Engelse winkels, delicatessenzaken, sommige kaaswinkels) maar je kunt het ook zelf maken. Dat laatste is vaak lekkerder, maar ook weer meer gedoe.

Ik zeg maar één ding: deze taart is het waard. Hij past niet in één recept, maar de rest volgt morgen, met de lemoncurd.

Laagjestaart met méringue (1)

125 g echt zachte boter
4 eieren, gesplitst
300 g suiker
100 g bloem
25 g maïzena
1 tl bakpoeder
½ tl dubbelkoolzure soda
geraspte schil van 1 citroen
2 tl citroensap
2 tl melk
½ tl wijnsteenzuur
1,5 dl slagroom
150 g lemoncurd (zelf gemaakt of uit een potje)

Verwarm de oven op 200 graden

Bekleed twee springvormen met een doorsnee van 21 cm met ingevet bakpapier.

Meng de eierdooiers, 100 g suiker, de boter, bloem, maïzena, bakpoeder en dubbelkoolzure soda en citroenschil in een keukenmachine of in een mengkom voor een mixer. Als het goed gemengd is, de melk en het citroensap toevoegen en weer mengen.

Verdeel het beslag over de twee taartvormen. Die worden niet erg vol, maar dat hoeft ook niet, dit zijn twee lagen van de taart.

Klop de eiwitten en het wijnsteenzuur in een absoluut vetvrije kom tot het eiwit pieken vormt en klop er dan 200 g suiker door. Schep dat schuim op het beslag in de twee taartvormen. Maak het in de ene taartvorm glad, probeer in de andere vorm met behulp van een vork piekjes te vormen.

Strooi daar 1 theelepel suiker over en zet de vormen 20 à 25 minuten in de oven.