Hamad is in Khyber om te doden

Sinds het Pakistaanse leger een offensief is begonnen in de tribale grensgebieden, is de stad Peshawar doelwit van aanslagen. Het leger blijft optimistisch.

Majoor Hamad (33) van het Pakistaanse leger twijfelt niet aan zijn missie. „Ik ben hier om te doden. Ik heb geen greintje sympathie voor ze”, zegt hij met een George Clooney-achtige grijns op zijn gezicht. „Als ik sneuvel, is dat niet zo erg. Maar als zij weten weg te komen zonder ten minste 15 tot 20 procent slachtoffers aan hun kant, vind ik dat onverdraaglijk.”

Zij, dat zijn de moslimextremisten van de Talibaan, Al-Qaeda en andere strijdgroepen die eerder dit jaar serieus aanstalten maakten op te rukken naar de Pakistaanse hoofdstad Islamabad vanuit de gebieden die onder hun controle staan in de grensstreek met Afghanistan. Deze zomer hielp Hamad mee de extremisten te verdrijven uit de Swatvallei. Nu staat hij op een heuvel die hij drie weken geleden heeft ingenomen in de regio Khyber, zo’n 35 kilometer ten zuidwesten van de stad Peshawar.

Hier in het hart van de semi-autonome stammengebieden, waar de rivier de Bara door een diepe vallei kronkelt, is vorige maand een nieuw front geopend in de strijd tegen de Pakistaanse Talibaan. Na de strijd in Swat opende het leger in oktober het offensief in Zuid-Waziristan. En op 24 november begonnen de gevechten in Khyber. De VS voeren met onbemande vliegtuigjes aanvallen uit in alle zeven tribale regio’s.

Majoor Hamad laat enkele grotten zien waaruit hij groepjes Talibaan heeft verjaagd. Een soldaat van zijn eenheid sneuvelde, tegenover zeker twaalf strijders van de tegenpartij, zegt hij. De lichamen van twee Oezbeken werden teruggevonden. „De situatie is sterk verbeterd maar nog niet stabiel”, zegt de majoor. Boven de blauwgroene bergen aan de overkant van de kloof weerklinkt het gebrom van een gevechtshelikopter. Daar ligt Orakzai, de regio waar nu het hevigst wordt gevochten.

Het verloop van het offensief in de stammengebieden heeft grote gevolgen voor Peshawar, de hoofdstad van de Pakistaanse North-West Frontier Province (NWFP) die geldt als toegangspoort tot de grensstreek. Eerst was er de directe dreiging van de Talibaan die tot in de buitenwijken van de stad waren doorgedrongen. Sinds Pakistaanse militairen in het offensief zijn gegaan in Zuid-Waziristan – de belangrijkste thuishaven van de Pakistaanse Talibaan – heeft de stad een golf van zelfmoordaanslagen te verwerken gekregen. In de afgelopen twee maanden zijn daarbij zo’n 350 doden gevallen.

„Verklaar onze provincie tot oorlogsgebied’’, heeft de Kamer van Koophandel op een bord langs de weg gezet, in de hoop op financiële steun. De economische bedrijvigheid is vrijwel tot stilstand gekomen. Mensen gaan alleen nog voor de hoogstnodige boodschappen de straat op. Iedereen is voortdurend op zijn hoede.

Maar het gaat niet alleen om Peshawar. „Wij voeren hier oorlog voor de hele vrije wereld”, zegt Bashir Bilour, minister in de regering van NWFP. Hij zit in zijn kamer in het zwaarbewaakte bestuurscomplex. „Als de tribale gebieden vallen, valt Peshawar. Als Peshawar valt, valt Islamabad en valt heel Pakistan. En als Pakistan valt, raakt dat de hele vrije wereld.”

Vervolg Peshawar: pagina 4

De ‘onverlaten’ eisen een zoon per gezin

Die vrije wereld lijkt heel ver weg als je Peshawar verlaat en Khyber inrijdt om – begeleid door militairen – bij het een twintigtal kilometer verderop gelegen Fort Salop te komen. Vanuit deze basis worden de operaties van het paramilitaire, door Pashtun gevormde Frontier Corps en het Pakistaanse leger in Khyber aangevoerd.

„Gehechtheid aan de wereld is de wortel van alle zonden”, staat op een muur van een ingestort huis in een uitgestorven dorp. Op de bouwval van een ander huis is de vlag geschilderd van de lokale krijgsheer Mangal Bagh. Zijn Leger van de Islam had tot voor kort grote delen van Khyber onder controle en onderhield er zijn eigen islamitische rechtbanken.

Veel dorpen liggen er verlaten bij. Waar het terrein effen is werken mannen in de groene tarwevelden. Naar schatting de helft van de 400.000 inwoners is gevlucht voor de gevechten. Ouderen die wel zijn gebleven kijken zwijgend naar het passerende konvooi. In de verte zwaaien kinderen. En achter een rij bomen dwarrelen twee vliegers vrolijk in de blauwe lucht. Bij elke bosje en bij elke brug springen de soldaten uit de pick-uptrucks en gaan ze te voet verder, de berm afspeurend op bermbommen. Voor alle zekerheid wordt er af en toe in de lucht geschoten.

„Veel beter dan het was, maar geheel veilig is het nog niet”, zegt ook kolonel Janjua, de commandant die de operaties in Khyber leidt. Hij duidt Talibaan, Al-Qaeda en verwante milities steevast aan als „onverlaten”. Hij schat hun sterkte in Khyber op zo’n 1.500 man. Vierhonderd zijn overmeesterd en ongeveer negentig zijn gedood, onder wie drie of vier „buitenlanders”, somt hij op. De rest is verdreven. Ook de belangrijkste leiders zijn ontkomen. „Maar die krijgen we hopelijk binnenkort ook in handen”, zegt hij kordaat.

Om het succes van de militaire operaties te onderstrepen heeft kolonel Janjua veertien gevangen strijders naar de tuin van Fort Salop laten brengen. Zwijgend zitten ze in een rij op de grond, de handen op de rug gebonden. Alleen het gezicht van Said Akkram (24), een eenvoudige boerenjongen van een paar dorpen verderop, is onherkenbaar. Hij heeft een zwarte kap over zijn hoofd.

Said behoorde tot het Leger van de Islam van Mangal Bagh, volgens velen een ordinaire misdadiger. Hij hield zich voornamelijk bezig met het ontvoeren van zakenmensen uit Peshawar. „Een stuk of twaalf”, schat Said. Maar hij heeft nooit iemand gedood, zegt hij er onmiddellijk bij.

Said zegt ook dat hij zich niet uit ideologische overwegingen heeft aangesloten bij het Leger. Hij is geen moslimextremist, zegt hij. Hij werd gedwongen. Elk gezin moest een zoon afstaan. Of een hoge afkoopsom op tafel leggen. Maar Said heeft geen geld. Het spijt hem zeer dat hij misdaden heeft moeten begaan. Het liefst ging hij weg uit Khyber om elders een fatsoenlijke baan te zoeken.

Kolonel Janjua hoort met scepsis toe. Maar hij zegt ook dat werkloosheid inderdaad de belangrijkste voedingsbodem is voor extremisme in de afgelegen stammengebieden. „Daarom moet de internationale gemeenschap ons niet opnieuw in de steek laten, maar ons financieel helpen.”

De kolonel heeft nog een boodschap. In de tuin staan artilleriegeschut, granaatwerpers, tientallen geweren en ander wapentuig uitgestald. Op tafels liggen schoolschriften waarin de Talibaan hun boekhouding bijhielden. Op een zak met chemicaliën staat ‘Mumbai’. Net als de meeste Pakistanen is kolonel Janjua ervan overtuigd dat „buitenlandse handen” achter het extremisme zitten. Waar komen anders hun wapens vandaan? Hoe worden ze anders gefinancierd? Buitenlandse mogendheden zijn uit op destabilisatie van de Pashtunregio en daarmee van heel Pakistan. „U bent oud en wijs genoeg om te weten welke landen dat zijn”, zegt hij. Hij doelt op de gebruikelijke verdachten: met name India, Saoedi-Arabië en de VS.

Ook minister Bilour in Peshawar hamert op de noodzaak van internationale hulp bij wederopbouw. Hij komt net terug van een nieuwe zelfmoordaanslag, een paar straten verderop bij een politiecontrole. De dader had zijn explosieven verstopt onder zijn winterse omslagdeken.

Zelf ontsnapte hij vier keer aan een aanslag. Hij behoort tot de liberale Awami National Party (ANP) , die vorig jaar bij verkiezingen de regerende coalitie van moslimfundamentalisten met overmacht versloeg. De ANP, die de afgelopen jaren meer dan honderd kaderleden heeft verloren bij aanslagen, steunt de militaire operaties in de stammengebieden.

„Vier doden”, zegt Bilour als hij zijn kamer binnenkomt. „Elke keer als ik naar zo’n plek toe ga, ben ik bang dat de mensen mij zullen uitschelden. Dat ze mijn partij verwijten de aanslagen uit te lokken met onze steun voor de militaire operaties. Maar steeds weer zeggen ze tegen mij: we staan achter jullie.”

Voor meer beelden, zie de fotoserie op nrc.nl/foto

    • Wim Brummelman