Gezagsvacuüm

De gewelddadige plunderwoede, die eind vorige week het stadje Albina in het oosten van Suriname overspoelde, is meer dan alleen een geweldsincident in een gespannen gouddelversgebied. De uitbarsting illustreert ook dat de sociale verhoudingen in Suriname zich snel wijzigen.

De aanleiding voor het geweld was, hoe treurig ook, vrij overzichtelijk. Bij een ruzie over geld werd een Surinaamse mensensmokkelaar door een Braziliaanse migrant gedood. De moord was de lont in het kruitvat. Om hun woede te koelen ontketenden Surinaamse marrons een strooptocht tegen Braziliaanse arbeiders en Chinese middenstanders. Het mondde uit in een manifestatie van rancune jegens alle ‘buitenlanders’ die er goede zaken doen met de goudkoorts.

De marrons, nazaten van gevluchte slaven en ook wel ‘bosnegers’ genoemd, willen baas in eigen huis blijven. Die status ontlenen ze aan aparte verdragen met de voormalige Nederlandse kolonisator, die teruggaan tot de achttiende eeuw. De ‘binnenlandse oorlog’ die tussen 1986 en 1992 woedde tussen het leger van Bouterse en het junglecommando van Brunswijk, heeft dat verlangen verder opgezweept. De regering in Paramaribo heeft haar macht sindsdien niet effectief kunnen vestigen in het oosten.

Oorlog en goudwinning hebben er ook toe geleid dat de gezagsverhoudingen onder de marrons zijn veranderd ten gunste van jongeren, die een voorbeeld nemen aan de rijke selfmade man en smokkelkoning Brunswijk, en ten koste van het traditionele gezag van ‘granmans’, kapiteins en basja’s.

Ook buiten de eigen kring der marrons heeft deze vorm van emancipatie gevolgen. Vroeger vormden de bosnegers, die bijna 15 procent van de bevolking uitmaken, het loyale electoraat voor de creoolse regeringspartij NPS. Sinds de oorlog, die behalve tot een vluchtelingenstroom ook heeft geleid tot een trek naar de hoofdstad Paramaribo, hebben ze met vijf zetels in het parlement en een drietal ministers in de regering van president Venetiaan een eigen machtspositie verworven. Ter wille van de continuïteit van zijn regering, die voortdurend op haar hoede moet zijn voor de oppositie van ex-legerleider Bouterse, moet Venetiaan de marrons dan ook meer ruimte geven dan een eenheidsstaat zich eigenlijk kan veroorloven. De plundergolf in Albina is een keerzijde van deze onmacht van de landsregering.

Die kentering is juist nu steeds relevanter, omdat het economisch relatief voorspoedig gaat met Suriname. Door de diversificatie van de economie naar ict en toerisme, de opmars van buurland Brazilië en snel groeiende banden met China heeft Suriname tot nu toe de kredietcrisis goed doorstaan.

Het land oriënteert zich daardoor minder op Nederland en meer op de regio. De sociaal-economische spanningen die elders in het Amazonegebied bestaan, steken nu ook in Suriname de kop op. President Venetiaan zit intussen klem. Hij moet de onrust dempen, omdat het economische succes teniet kan worden gedaan als de instabiliteit overslaat naar de politiek. Maar hij kan het zich niet veroorloven de marrons van zich te vervreemden.