De Godfather kwam echt uit Corleone

Historicus Mike Dash beschrijft in Eerste Familie de loopbaan van Amerika’s eerste Godfather Giuseppe Morello. Misdaadhistorici vindt hij amateurs.

De macht van de Amerikaanse maffia is gegrondvest op artisjokken. „Een heffing van 25 dollar per truck”, zegt de Britse historicus Mike Dash. „Dat was al zo in 1905, maar een eeuw later verdient de New Yorkse maffia nog steeds aan elke artisjok die wordt verkocht.”

Mike Dash, hier vooral bekend van zijn boeken over de Hollandse Tulpenmanie en de ondergang van de Batavia, is in Nederland voor zijn boek De Eerste Familie over de opkomst en ondergang van Giueseppe Morello, bijgenaamd ‘De Klauw’ – om zijn misvormde armstomp waar maar één vinger uit groeide. De Siciliaan Morello legde begin vorige eeuw de basis voor een maffiafamilie die tot eind jaren vijftig de machtigste van New York bleef. Voor zijn arrestatie in 1910 voerde Morello als eerste in Amerika de eretitel ‘capo dei tuti capi’, baas der bazen. Hij is de echte Godfather.

Giueseppe Morello was tot dusver een schimmige figuur, zoals zijn tijdperk in de Amerikaanse misdaadgeschiedenis bijna prehistorie is. Doorgaans beginnen maffiakronieken in de jaren twintig, als jonge maffiosi onder Charlie Luciano zich in New York opmaken om hun oude bazen te vermoorden. Die afrekening markeert het einde van het tijdperk der ‘Mustache Petes’: maffiabaasjes die niet verder keken dan de eigen wijk. De lichting-Luciano werkte daarentegen nauw samen met Ierse en Joodse bendes en had grote ambities: overname van vakbonden, Hollywood, Las Vegas.

Giuseppe Morello was de machtigste ‘Mustache Pete’. „Zijn generatie arriveerde op oudere leeftijd in Amerika. Morello in 1892, toen hij 25 jaar was, maar pas in 1920 sprak hij redelijk Engels”, zegt Mike Dash. „Die linguïstische incompetentie beperkte de schaal en actieradius van zijn bende. Rijk werd Morello niet.” Maar volgens Dash worden de macht en glamour van de Amerikaanse maffia überhaupt overdreven. „The Sopranos doen één ding heel goed: de onbeduidendheid van maffiazaakjes tonen. Een capo leidde hooguit de levensstijl van de gegoede middenklasse, ook in de glorietijd.”

Voor een gangsterbaas als Guiseppe Morello was systematische afpersing de grootste bron van inkomsten. Het afpersen van vermogende Italianen via ontvoeringen of dreigbrieven, verluchtigd met zwarte handen, gebeurde al langer, Morello monopoliseerde die ‘bende van de zwarte hand’-praktijken. Daarnaast stichtte hij kartels op de handel in kolen, ijs, olijfolie, wijn en artisjokken in zijn wijken. Dash: „Morello was intelligenter en meedogenlozer dan zijn rivalen. Hij bouwde een complexe organisatie op en hield zorgvuldig afstand van zijn misdaden. Een passief-agressieve man met een droge, raspende stem en stenen gezicht. Kwam hij binnen, dan trilden zijn ondergeschikten.”

In De Eerste Familie toont Dash’ zich opnieuw een meester in narratieve geschiedschrijving. Van Sicilië reizen we met de Morello-clan naar New York, waar Siciliaanse geslotenheid, wraakzucht en meedogenloosheid een recept blijken voor een succesvol misdaadimperium. Elk detail stoelt bij Dash op bronnenstudie; in de Nederlandse editie zijn de 35 pagina’s noten weggelaten. Zo laat hij de De Eerste Familie beginnen met de laatste avond van Benedetto Madonia, slachtoffer van de geruchtmakende ‘vatmoord’ in 1903. De stoofschotel van bonen, bieten en aardappelen die Madonia oplepelt voordat zware jongens zijn keel doorsnijden, het café met ruwe lage tafels, stoffige strengen knoflook aan de muur en een ijzeren gootsteen waarboven hij leegbloedt, de vloer die „bestrooid is met zaagsel dat zich aan het eind van een drukke dag met fluimen, flarden dun papier en de peuken van donkere Italiaanse sigaren had vermengd tot een dikke prut” – elk detail is ontleend aan autopsierapporten, krantenartikelen en politieverslagen.

Giuseppe Morello was afkomstig uit Corleone, het gewelddadige Siciliaanse bergstadje waarin romancier Mario Puzo zijn verzonnen ‘Godfather’ Don Corleone liet opgroeien. „Dat heeft mij wel aan het denken gezet”, zegt Mike Dash. „Puzo geldt als een fantast die niets van de maffia afwist. Maar dat hij Corleone als geboorteplaats van de Amerikaanse maffia koos, is wel erg toevallig.” Wat Dash nergens aantrof, was de door Puzo verzonnen maffiaromantiek over familiemannen van eer die een ruw recht onder Italiaanse immigranten handhaafden en hen steunden bij onrecht. Dash: „Joodse gangs verdedigden de eigen wijk soms tegen andere etnische groepen, de maffia nooit. Ze terroriseerde louter de eigen gemeenschap met moord, verminking en dreigementen.”

Over de voortijd van de maffia bestaan tot dusver nauwelijks bronnen: de New Yorkse politie dumpte haar archief in de jaren tachtig in de East River. Dash stuitte tijdens zijn onderzoek evenwel op een „goudmijn”. Het archief van de geheime dienst in New York, 60.000 pagina’s met tips van informanten en dagelijkse observatie van de Morello-bende. De geheime dienst hield zich toen nog vrijwel uitsluitend met valsemunterij bezig, en in die hoedanigheid kwam Morello in beeld. „Bureauchef William Flynn bleek een opmerkelijke speurder. Als enige vóór de jaren zeventig had hij een infiltrant in de maffia.”

Dat niemand het archief voor hem bezocht, tekent volgens Dash het „volstrekte amateurisme” van collega-chroniqueurs van de Amerikaanse maffia. Hardnekkig dilettanten ook: zo houden ze tot in Wikipedia koppig staande dat ene Antonio Morello de eerste capo van de Morello-bende was. In rechtbankverslagen las Dash dat deze Antonio geen familie was. „Maar iemand schreef dat ooit en dus is het waar. Amerikaanse maffiageschiedenis leunt te zwaar op secundaire bronnen, interviews en memoires. Dan krijg je onzin en sterke verhalen. Het loont echt om eens een archief te bezoeken.”

    • Coen van Zwol