Biologen twisten over stokoude eik

Amerikaanse biologen zeggen dat zij een eik uit de ijstijd hebben gevonden. Maar volgens een bosecoloog uit Wageningen hebben zijn collega’s de leeftijd verkeerd berekend.

Hester van Santen

„Hier zien we een stukje van de wereld zoals die was tijdens de ijstijd”, vertelde plantkundige Andrew Sanders vorige week tegen de Amerikaanse zender ABC. Hij stond in het Californische heuvelland voor een enorme struik: 25 meter in doorsnede, grillig en met kleine blaadjes. Het is een eik.

Volgens Sanders, die vorige week met collega’s in het wetenschappelijke tijdschrift PLoS One publiceerde, is die struik 13.000 jaar oud. Als dat waar is, is de struik een van de oudst levende organismen ter wereld. Maar andere biologen zijn minder overtuigd. Jan den Ouden, bosecoloog aan de Wageningen Universiteit: „Ik vind het écht onbegrijpelijk dat dit artikel gepubliceerd is.”

De Californische eik is een ‘kloon’ of ‘cluster’: stammen die uit hetzelfde wortelstelsel ontspruiten en genetisch gelijk zijn. Geen losse boom dus, maar alle stammen behoren wel tot hetzelfde individu. Hij is van de Amerikaanse soort Quercus palmeri.

De Californische biologen moesten de ouderdom van hun eik berekenen, want oude houtresten voor C14-datering waren er niet. Opgevreten door de termieten, denkt onderzoeker Jeffrey Ross-Ibarra, een collega van Sanders. De biologen maten de jaarringen om te bepalen hoe snel de stammen van de eik in de breedte groeiden. Dat gaat heel langzaam: nog geen millimeter per jaar, want hij groeit in onvruchtbaar zandig en rotsig terrein. Daarna berekenden ze hoe lang de struik in de breedte moest groeien om 25 meter in doorsnee te worden: 13.000 jaar.

Den Ouden: “Maar dan ga je ervan uit dat die kloon zich alleen heeft uitgebreid door breedtegroei. Terwijl er heel andere manieren zijn waarop die kan groeien.” In Nederland speelde in 2001 eenzelfde kwestie. Op de Veluwe waren eikenclusters ontdekt die meer dan duizend jaar oud waren. Maar twee jaar geleden concludeerden Jan den Ouden en de Groningse hoogleraar Theo Spek dat de Gelderse eiken veel sneller in de breedte gegroeid konden zijn. Ze dateren volgens hen van rond het jaar 1800. Op de Veluwe zag hij dat die eiken ‘afleggers’ maakten: takken, laag bij de grond, die begraven raken, en waaruit dan wortels gaan groeien.

“Dan groeit zo’n kloon zo twee meter naar buiten. En in de heuvels heb je juist veel kans dat een tak door de wind en het zand begraven raakt. Dat zie je ook in de duinen.” De Californische onderzoekers noemen die mogelijkheid niet. “Ik ben bijna geneigd een reactie te schrijven naar PLoS.” Den Ouden denkt wel dat de Californische kloon oud kan zijn. Duizend jaar, misschien. “Ze kunnen in principe eeuwig doorgroeien.”

Van boomgroepen wordt vaker geclaimd dat ze uit prehistorische tijden stammen. De bekendste is ‘Pando’, een ratelpopulier in Utah. Het is een enkele kloon, die in zijn eentje een bos vormt van 43 hectare. In sommige publicaties wordt beweerd dat Pando een miljoen jaar oud is. Andere bronnen houden het op 80.000 jaar. Maar steeds is de datering problematisch, vanwege het gebrek aan oud hout.

In het vakblad Molecular Ecology probeerden genetici het vorig jaar op een andere manier: ze telden hoeveel spontane mutaties zich ophoopten in de genen van Pando. Hoe meer mutaties, des te ouder de struik. Hun conclusie was dat Pando ‘relatief jong’ is, gezien het kleine aantal mutaties. Maar een definitieve datering, daar wagen ook zij zich niet aan.