Van de man met vuile voeten, de homunculus...

Hygiëne was een belangrijk onderdeel van de Chinese propaganda in de jaren vijftig en zestig.

Maar hoe proper zijn Chinezen eigenlijk?

Een Chinese krant meldde in 2008 dat een vrouw haar nog verse echtgenoot had verbrand. Hij was teut geworden op zijn huwelijksfeest. Een fik in het beddelaken plus een paar rake klappen waren voldoende om meteen voor altijd van hem af te zijn.

Geen uitzonderlijk relationeel bericht, zou je denken, want uit hoofde van schaamte, eerwraak of huwelijkse verveling plegen wereldwijd heel wat mannen hun vrouwen te verminken of te vermoorden. Maar in het Chinese geval viel vooral het motief op: de man had vuile voeten toen hij in bed stapte. Hij toonde geen respect voor zijn vrouw, vond zijn echtgenote.

Nemen Chinezen, die zich uitvinders van het spoeltoilet noemen, die hygiëne dan zo nauw dat gebrek daaraan tot moord leidt?

Dat valt tegen, zo blijkt uit Het moet eten, ademhalen, slapen van de verhalen- en romanschrijfster Manon Uphoff. Een zeer curieus en leerzaam boekje over het menselijk lichaam, geënt op een serie 20ste-eeuwse voorlichtingsposters en anatomische platen uit China, waarvan tientallen voorbeelden tussen de teksten paginagroot staan afgebeeld.

Na alle campagnes van Mao in de jaren vijftig en zestig wordt er nog steeds hardvochtig gerocheld en geboerd in openbare ruimtes. Voor het lucht geven aan een wind in bus of trein hoef je je evenmin te generen. En wie naar tevredenheid heeft gegeten, dient op tafel en op de grond ‘een slagveld’ van botjes achter te laten – als compliment aan de kok.

Niet dat de posters in dit boekje deze vormen van lichamelijke expressie illustreren. Integendeel, je ziet de ene na de andere Chinees huis en haard en zichzelf schoonboenen, precies zoals het staatshoofd Deng Xiaoping het graag zag in de jaren tachtig, als onderdeel van een groter cultureel en economisch bewustzijn.

Het rochelen zal wel voortduren, maar er openbaren zich ook nieuwe hygiënische inzichten. In Shanghai is recent bijvoorbeeld een openbaar toilet van vier etages opgetrokken waar duizend mensen in duizend kamertjes tegelijkertijd hun behoefte kunnen doen, vertelt Uphoff. Een soort parkeergarage waar de oude Romeinen, liefhebbers van het openbare toilet, wel oor naar hadden gehad. Daar staat tegenover dat menig Chinees tegenwoordig op z’n minst aanzienlijk meer dan modaal moet verdienen om degelijke, specialistische gezondheidszorg te kunnen ‘inkopen’, oftewel medici om te kopen.

Uphoff, die zichzelf ziet als ‘een gemankeerde arts’, eentje die al flauwvalt bij het zien van nepbloed op een EHBO-cursus, associeert in haar boekje vrij en blij over alle mogelijke medische hoofdlijnen, filosofische zijwegen en persoonlijke bijzaken aangaande het menselijk lichaam en zijn bedreigingen van buitenaf. Ze wisselt jeugdherinneringen, zoals een anorexiaperiode, af met alchemistische uitvindingen of met fenomenen uit de Japanse geesteswereld. Ze analyseert tot grote diepte de werking van het oog en het legioen aan bacillen en parasieten dat het op het menselijk lichaam gemunt heeft. Ze psychologiseert over geliefde doden en het triomfantelijke levensgevoel dat ze bij nabestaanden kunnen achterlaten, over de contactvrees van de gezonde mens jegens de ‘vervloekte’ zieke, en over ‘het oudste, dichtste, meest hechte en meest directe „massa’’-gevoel, dat van de huid’ – zoals Elias Canetti uiteenzet in Massa en macht, en hij is maar een van het flinke aantal schrijvers dat Uphoff citeert. Dezelfde huid die trouwens deliriumlijders kan opzadelen met zoveel gejeuk en gekriebel dat er wanen vol knaag- en kruipdieren uit kunnen voortkomen.

Gelukkig heeft Uphoff het aantal kwalen dat het lichaam verder te bieden heeft, flink gedoseerd. Alsof daarmee ook tegemoet gekomen wordt aan de beperkte vermogens van de ‘blotevoetendokter’, de Chinese boer die zich na een cursus van zes maanden basale geneeskunde in zijn dorp voortaan parttime ‘arts’ mocht noemen. Hij wist dan aardig wat af van westerse medicijnen, van de preventie van epidemische ziektes en van traditionele kruiden uit eigen tuin, die inmiddels bij de westerling populairder zijn dan in China zelf.

Fijn ook dat er in het boek geen afbeeldingen voorkomen van de rondreizende tentoonstelling van twintig geprepareerde lijken die, Uphoff, naast de posters, op het spoor van dit boekje hebben gezet. Ook de geprepareerde bloedvaten, spierbundels, botten, longen, spijsverteringskanalen, tongen en longen – vermoedelijk verwijderd uit de lichamen van Chinese gevangenen – zijn, hoezeer Uphoff hun schoonheid ook bejubeld, visueel godzijdank buiten beschouwing gelaten.

Jammer is wel dat de teksten op die intrigerende, pastelgetinte voorlichtingsposters en anatomische platen niet zijn vertaald. Waren ze dat wél dan zou ons oog dwingender zijn gedirigeerd naar al die grappige bureau-professionals die volgens Chinese fantasten in ons brein kantoor houden. Misschien heten ze elk wel ‘homunculus’, dat wil zeggen zo’n minuscuul kereltje dat in uiteenlopende gedaanten en in uiteenlopende culturen optreedt als demon, spermacel, zielenherder, innerlijke stem, alchemistisch creatuur en wat dies meer zij. Uphoff heeft het wel uitvoerig over deze wezentjes, maar na lezing van Het moet eten, ademhalen en slapen zou je over hen met hetzelfde plezier een net zo erudiet, weids georiënteerd en toepasselijk geïllustreerd boekje willen lezen, eveneens geschreven door Uphoff.

Bekijk meer platen op nrcnext.nl/ links

Manon Uphoff: Het moet eten, ademhalen, slapen. Contact, 227 blz. € 29,95

    • Marianne Vermeijden